english | nederlands

RC 30 Rey van clarissen (“O Kerstnacht, schooner dan de dagen”)

text source

Albert Verwey, Een inleiding tot Vondel (Amsterdam: Versluys 1893), 83-109 ♦ Dichterlijke werken van Joost van den Vondel Vol. 7 (Amsterdam: Westerman 1821), 183-260

first performance

1898-04-27 00:00:00.0 Haarlem, Sociëteit Vereeniging)

recordings

  • Anniversary Edition 4 Et'cetera KTC 1435 CD4

publications

  • Luxe editie of Vondel's Gijsbrecht van Aemstel Vol II, *.* Erven F. Bohn, De 9292608
  • Vier Reizangen uit Gijsbrecht van Aemstel Erven F. Bohn, De 9292608

  • Rey van clarissen (“O Kerstnacht, schooner dan de dagen”)
  • Vondel, Joost van den
  • vrouwenkoor en orkest
  • 1893-06-04 00:00:00.0 - 1893-07-07 00:00:00.0 | revised 1901-07-01 00:00:00.0 - 1901-07-31 00:00:00.0
  • duration 9:00

Terwijl Diepenbrock in het najaar van 1892 Vondels Rey van burchtsaeten voor gemengd koor a cappella (RC 28) componeerde, vorderde aan het Leidseplein in Amsterdam de bouw van de nieuwe Stadsschouwburg, op de plek waar op 20 februari 1890 de oorspronkelijke behuizing uit 1774 in vlammen was opgegaan. Tegelijkertijd stond bij uitgeverij De Erven F. Bohn te Haarlem een prachteditie op stapel van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, met een inleidende studie van initiatiefnemer Leo Simons (1862-1932), illustraties van Antoon Derkinderen (1859-1925), een serie decorontwerpen van H.P. Berlage (1856-1934) en een pianouittreksel van de door Bernard Zweers (1854-1924) gecomponeerde toneelmuziek (voorspel, reien, tussenspelen en naspel). Diepenbrock werd door zijn vriend Derkinderen op de hoogte gehouden van de voortgang van het project. Tijdens een bezoek op 4 juni 1893 liet Derkinderen – naast zijn eigen ontwerptekeningen – ook Zweers’ muziek zien. Het doorlezen van de eenvoudige toonzetting, waarin Zweers de versvoeten in één stereotiep metrum had overgezet, bracht een heftige reactie bij Diepenbrock teweeg en terstond borrelden allerlei ideeën voor een eigen compositie van de reien in hem op. …more >

Rey van clarissen (incipit)


Terwijl Diepenbrock in het najaar van 1892 Vondels Rey van burchtsaeten voor gemengd koor a cappella (RC 28) componeerde, vorderde aan het Leidseplein in Amsterdam de bouw van de nieuwe Stadsschouwburg, op de plek waar op 20 februari 1890 de oorspronkelijke behuizing uit 1774 in vlammen was opgegaan. Tegelijkertijd stond bij uitgeverij De Erven F. Bohn te Haarlem een prachteditie op stapel van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, met een inleidende studie van initiatiefnemer Leo Simons (1862-1932), illustraties van Antoon Derkinderen (1859-1925), een serie decorontwerpen van H.P. Berlage (1856-1934) en een pianouittreksel van de door Bernard Zweers (1854-1924) gecomponeerde toneelmuziek (voorspel, reien, tussenspelen en naspel). Diepenbrock werd door zijn vriend Derkinderen op de hoogte gehouden van de voortgang van het project. Tijdens een bezoek op 4 juni 1893 liet Derkinderen – naast zijn eigen ontwerptekeningen – ook Zweers’ muziek zien. Het doorlezen van de eenvoudige toonzetting, waarin Zweers de versvoeten in één stereotiep metrum had overgezet, bracht een heftige reactie bij Diepenbrock teweeg en terstond borrelden allerlei ideeën voor een eigen compositie van de reien in hem op.

Een week later vertelde Zweers aan Diepenbrock dat hij zich pas na lang aandringen van Simons had laten overhalen ook de reizangen te componeren; als symfonicus voelde hij zich er niet de geschikte man voor. De volgende dag legde Diepenbrock aan Derkinderen de vraag voor of hij kans zag om de directeur van de uitgeverij, J.K. Tadema, ertoe te bewegen Zweers van zijn medewerking betreffende het vocale gedeelte te laten afzien; het zou in Zweers’ eigen belang zijn: Het staat hem althands te wachten dat er onder het meer gesoigneerde publiek velen zullen zijn die zijn koren ridicuul zullen vinden. En Diepenbrock vervolgde:

Hoezeer een prikkel tot werken noodig is heb ik deze week gemerkt. Het is mij niet opgedragen de Reyen te schrijven, doch alleen uit schaamte voor de muziek tegenover de poëzie ben ik onmiddelijk […] aan het werk gegaan.

In een mum van tijd had hij zowel de Rey van clarissen als de Rey van Amsterdamsche maegden ten naaste bij gereed – laatstgenoemde, waarvan hij de muziek karakteriseerde als dynamisch en ritmisch, op een gedeelte van de begeleiding na. Over de Rey van clarissen zei hij:

De Kerstnacht in een geheel ander timbre. Enfin het is de stijl, waarin zooiets moet wezen, en dat is het voornaamste. (BD I:465-466)

Woordmelodie

Op grond van diverse gegevens is de begindatum van beide composities op 4 juni te bepalen. Binnen anderhalve maand zijn de Rey van clarissen en de Rey van Amsterdamsche maegden (RC 31) voltooid: respectievelijk 7 en 18 juli 1893 volgens de datering van het pianouittreksel A-12 dat Diepenbrock eind 1895 vervaardigde (geen van beide oorspronkelijke partituren is overgeleverd). Bij de assemblage, in 1912, van de reien in de complete toneelmuziek bij de Gijsbrecht van Aemstel tekende Diepenbrock bij beide aan dat de compositie van juli 1893 dateert.

In het najaar van 1893 heeft Derkinderen, die een verandering in de opzet van het Gijsbrecht-project niet mogelijk achtte, aan Tadema voorgesteld Diepenbrocks reien apart uit te geven – een plan waarover de uitgever spoedig in overleg trad met de componist. Diepenbrock echter kon het materiaal pas ter beoordeling geven nadat hij het retour had gekregen van Antoon Averkamp, die op 30 mei 1894 de première gaf van de Rey van burchtsaeten. Na deze uitvoering valt er een stilte van meer dan een jaar rond de reien van Diepenbrock.

In deze periode wordt bij de opening van Amsterdams nieuwe Stadsschouwburg op 16 januari 1895 een voorstelling van de Gijsbrecht van Aemstel gegeven door de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel, met de voorspelen en reizangen van Bernard Zweers. Diepenbrock is erbij aanwezig en geeft zijn opinie in De Kroniek, een nieuw weekblad waarvoor hij een aantal jaren artikelen zal schrijven. Diepenbrocks commentaar op de aanpak van Zweers zegt veel over zijn eigen uitgangspunt:

Het blijft niettemin waar, dat deze muziek niet uit de woordmelodie is ontstaan, maar integendeel op hare wijze aan het strophisch verband en het rhythmisch karakter der lyrische verzen […] afbreuk doet […]. Men hoort daardoor niet, dat de Rey van Amsterdamsche Maegden een triomfgezang is van het hoogst-geïntoneerde accent, en het episch-visionnaire der Kerstnacht-rey gaat te loor door het nu eens populair-eenvoudige, dan weer modern-dramatische type der compositie. (VG:85)

Hieruit moge duidelijk zijn dat Diepenbrock een andere benadering van Vondels tekst voor ogen heeft gestaan. Een vraag die hij vooral aan zichzelf lijkt te stellen, is:

Het moderne orkest met zijn oneindigen rijkdom van klankeffecten bij de opvoering van Vondel’s werk aan te wenden zonder dat er een disharmonie ontstaat, – is het wel mogelijk? (VG:86)

Ondanks zijn fundamentele kritiek zocht Diepenbrock in maart van dat jaar Zweers op om te vragen of hij hem les zou willen geven. Zweers stemde in, op voorwaarde dat hij er niet voor betaald zou krijgen. Tijdens hun samenkomsten gaf hij vele blijken van hoogachting, bijna van veneratie, die Diepenbrock herhaaldelijk in verlegenheid brachten.

Eigener beweging nam Zweers het initiatief de uitgave van Diepenbrocks reien bij Tadema aan te bevelen. Hierdoor aangespoord begon Diepenbrock op 3 september 1895 aan de toonzetting van de nog niet gecomponeerde tekst: de Rey van edelingen uit het tweede bedrijf (zie RC 33). Alvorens dieper in te gaan op de Rey van clarissen dient eerst de verdere geschiedenis van de vier reien tezamen behandeld te worden.

Gedrukte uitgave en première

Diepenbrock voltooide het pianouittreksel van de Rey van edelingen op 30 september 1895, van de Rey van Amsterdamsche maegden op 3 december en van de Rey van clarissen op 11 december. Aansluitend kon de productie van de uitgave in gang worden gezet. Nadat de componist in de drukproeven nog kleine en grote verbeteringen van zijn notentekst had aangebracht, verscheen op 13 mei 1896 het pianouittreksel van de Vier Reizangen uit Gijsbrecht van Aemstel bij De Erven F. Bohn te Haarlem in druk.

Kort erna, op 1 juni, bereikte Diepenbrock de eindstreep van de orkestratie van de Rey van clarissen. Drie weken later kwam de nieuwe partituur gereed van de Rey van Amsterdamsche maegden, ditmaal met begeleiding van een volledige orkestbezetting. Na een reis met een goede vriend naar Italië (de terugreis voert langs Bayreuth, waar zij een voorstelling van Das Rheingold bijwonen) werkt Diepenbrock verder. Nog voor het einde van augustus is de instrumentatie van de Rey van edelingen voltooid.

Zowel van Smulders als van Zweers kreeg Diepenbrock kritiek op zijn orkestratie. Tijdens de kerstvakantie kon hij er met Smulders in Luik uitgebreid over spreken. De opmerkingen deden hem besluiten een geheel nieuwe partituur van alle drie orkestreien te maken, voltooid op 16 april, 24 mei en 10 juni 1897 (respectievelijk maegden, edelingen en clarissen). Tijdens het opnieuw orkestreren doet zich evenwel een onverwachte kans voor: op initiatief van Tadema neemt de afdeling Haarlem van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst een uitvoering in het volgende seizoen in overweging.

De première van de drie orkestreien vond plaats op 27 april 1898 in de Concertzaal der Sociëteit “Vereeniging” te Haarlem onder leiding van Willem Robert (1848-1914) met medewerking van het Concertgebouworkest. Deze eerste uitvoering werd – net als die van de a cappella rei in 1894 – een grote desillusie. Er was, zo schreef Diepenbrock aan Smulders, slechts één gezamenlijke repetitie met het orkest, de akoestiek was abonimabel, het koor bleek niet opgewassen tegen de eisen van de partituur en Robert ontbrak het vooral aan “affinité spirituelle”. Ook concludeerde hij: Curieus is het zooveel als er van het orkest verloren ging. Waaraan dit ligt weet ik niet, ik zou het eens in een betere zaal moeten hooren. (BD III:37)

Er bekruipt Diepenbrock dus weer twijfel over zijn instrumentatie, ondanks het optimisme dat hij eind maart uitte: Mijn partituur heb ik in den laatsten tijd nog eens zoo grondig doorgezien dat ik er niet bang voor ben. (BD III:31) Onzeker geworden doordat hij zooveel van het detailwerk in het orkest had gemist, heeft hij op 29 juli de partituur ter beoordeling gestuurd aan de zeer ervaren componist-dirigent Richard Hol (1825-1904). Diens reactie is echter niet bekend.

Tekst en muziek van de Rey van clarissen

De Rey van clarissen omvat acht strofen van zes regels die – net als bij de Rey van Amsterdamsche maegden en de Rey van edelingen (RC 33) – alle uit viervoeters bestaan. Terwijl Zweers de verzen in een stereotiep ritme toonzette, bracht Diepenbrock variatie aan. Zo laat hij de derde en vierde tekstregel van de openingsstrofe thetisch beginnen, dat wil zeggen op de eerste tel van de maat, en geeft hij in de zesde regel (“Hoe schel die in zijn ooren klinkt.”) twee accenten onmiddellijk na elkaar, tegen het versmetrum in. De muzikale dictie is dus gerelateerd aan de betekenis van de tekst.

Zoals wij boven zagen, bestempelde Diepenbrock de inhoud van deze rei als episch-visionair. Aan het eind van het derde bedrijf van de Gijsbrecht van Aemstel (voor een synopsis, zie RC 28) zinspelen de kloosternonnen op het dreigende gevaar dat in de kerstnacht besloten ligt: de kindermoord in Bethlehem waartoe Herodes opdracht zal geven na de geboorte van Christus. Plastisch schilderen de nonnen de ellende die deze wandaad teweegbrengt. Daarmee wijzen zij vooruit naar hun eigen bloedige einde in het vierde bedrijf. De troost die zij de dolende moeders van Bethlehem bieden, houdt tevens de acceptatie in van het gruwelijk lot dat henzelf wacht.

Het weemoedige thema in de dorische modus, waarmee Diepenbrock de eerste en tweede strofe van zijn compositie opent, keert terug in de zevende strofe als de vergelijking wordt getrokken met het vellen van korenaren door de zeis bij het maaien van het graan. Kort erna is er sprake van woordschildering in de regel “Wanneer het stormt in ’t wilde woud”: de klarinet doorklieft er als een bliksemschicht de toonruimte van hoog naar laag.

Het is onder andere in deze passage dat Diepenbrock de instrumentatie gedurende de jaren heeft verfijnd. Zowel zijn partituur van 1896 (voltooid op 1 juni) als die van 1897 (gedateerd april – 10 juni) geeft in de voorafgaande maten van de klarinetpartij een doorlopende triolenbeweging te zien in het hoge register, waardoor het flits-effect op het bewuste moment minder uitwerking heeft. De versie van 1901 laat de klarinet uit het niets verschijnen. Andere tendensen die de opeenvolgende orkestraties te zien geven zijn: het uitdunnen van de orkestklank door een matiger gebruik van het zogenaamde ‘harde koper’ en het uitdiepen van tegenstellingen in de klankkleur tussen de verschillende instrumentgroepen, bijvoorbeeld door de strijkers (vooral de hoge) vaker te laten zwijgen of door een grotere verscheidenheid aan te brengen in het registergebruik.

Diepenbrock heeft geen vruchten kunnen proeven van de zorg en moeite die hij aan de derde orkestratie van zijn Rey van clarissen heeft besteed, aangezien dit werk na de teleurstellende première niet bij een goed koor op het programma is gekomen. Pas in juni 1912 is deze rei weer te horen, maar dan in een kleine bezetting binnen de context van een integrale opvoering van Vondels Gijsbrecht van Aemstel tijdens het Nederlandsche Muziekfeest waarvoor hij een geheel nieuwe partituur vervaardigde (zie RC 108). Voor die gelegenheid zette hij niet alleen drastisch het mes in de orkestpartijen, ook veranderde hij een en ander aan de vocale zetting.

Ton Braas



Rey van clarissen

O Kerstnacht, schooner dan de dagen!
Hoe kan Herodes ’t licht verdragen
Dat in uw duisternisse blinkt
En wordt gevierd en aangebeden?
Zijn hoogmoed luistert naar geen reden,
Hoe schel die in zijn ooren klinkt.

Hij poogt d’onnoozle te vernielen
Door ’t moorden van onnoozle zielen
En wekt een stad en land geschrei
In Bethlehem en op den akker
en maakt den geest van Rachel wakker,
Die waren gaat door beemd en wei.

Dan naar het Westen, dan naar ’t Oosten.
Wie zal die droeve moeder troosten,
Nu zij haar lieve kinders derft,
Nu zij ze ziet in ’t bloed versmoren
Aleer ze nauwlijks zijn geboren,
En zooveel zwaarden rood geverfd?

Zij ziet de mellek op de tippen
Van die bestorv’en bleeke lippen,
Gerukt noch vers van moeders borst.
Zij ziet de teere traantjes hangen
Als dauw aan druppels op de wangen,
Zij ziet ze vuil van bloed bemorst.

De wenkbrauw dekt nu met zijn boogjes
Geloken en geen lachende oogjes
Die straalden tot in moeders hert,
Als sterren die met haar gewemel
Het aanschijn schiepen tot een hemel
Eer ’t met een mist betrokken werd.

Wie kan d’ellend’ en jammer noemen
En tellen zooveel jonge bloemen
Die toen verwelkten eer ze nauw
De frissche bladeren ontloken
En liefelijk voor ieder roken,
En ’s morgens droncken d’eerste dauw?

Zoo velt de zicht de korenaren.
Zoo schudt een bui de groene blaren
Wanneer het stormt in ’t wilde woud.
Wat kan de blinde staatszucht brouwen
Wanneer ze raast uit misvertrouwen!
Wat luidt zoo schendigh dat haar rouwt!

Bedruckte Rachel, staak dit waren:
Uw kind’ren sterven martelaren,
En eerstelingen van het zaad
Dat uit uw bloed begint te groeien
En heerlijk tot Gods eer zal bloeyen
En door geen tiranny vergaat.

 

Chorus of the Poor Clares

Lovelier than day is Christmas night:
How can Herod stand the blinding light
That burns through its dank gloom,
Received with joy, by all adored?
Reason by Herod is abhorred;
His arrogance leaves it no room.

He thinks to murder one baby boy
If every innocent he destroy:
Cries re-echo far and wide,
In Bethlehem, in crofts and homes.
Rachel’s spirit wakes and roams
All around the countryside.

Now to the east and now to the west.
Who can console a mother so distressed
To see her children dead,
Over their blood-drenched bodies to mourn,
Those babes so newly born,
And see all those swords dyed red?

She sees the milk on the tips
Of those dead and pale lips,
Snatched fresh from their mothers’ breast.
She sees the tender tears hanging
Like dew, as droplets on their cheeks;
She sees them soiled foul with blood.

The eyebrows now covers with their lashes
Closed eyes, no longer laughing,
That shone clear into a mother’s heart
Like stars, which in their multitude
Lift their countenance to the heavens
Before they are bedecked with mist.

Who can name such misery and sorrow,
And number so many young blossoms
Untimely plucked, before they
Unfolded their fresh petals
And unleashed their sweet scents to all,
Drinking in the morning’s first dew?

So the scythe fells the ears of corn.
So shudder and bow the green leaves,
Whenever it storms in the wild woods.
What the blind ambition of power can plot
When it rushes about in ill faith!
How great a rift, before it repents!

Beleaguered Rachel, stop this wandering;
Your children die as martyrs,
And first-fruits of the seed
That will begin to grow from your blood,
And will bloom beautifully to God’s honor
And which no cruelty can conquer.

(transl. Ruth van Baak Griffioen)

 


  • A-12(3) Rey van clarissen, Vocal score

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16

    vocal score A-12(3) dated on the last page sHertogenbosch 7 Juli 93 / Nieuwer Amstel 11 Dec 95

    • 1895-12-11 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 16
  • A-13(3) Rey van Clarissen

    A-13(3) signed and dated on the last page sHertogenbosch 4 Juni 1893 / Alf Diepenbrock / Amsterdam 1 Juni 1896

    • 1896-06-01 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-14(3) Rey van clarissen

    A-14(3) dated on the first page gecomp. Juni 1893 and on the last page April – 10 Juni 1897

    • 1897-04-01 00:00:00.0 – 1897-06-10 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-15(3) Rey van clarissen

    semi-autograph A-15(3)

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-16(3) Rey van clarissen

    A-16(3) signed and dated on the last page A Diepenbrock / Amsterdam 16 Sept.- (Juni – Sept 1901)

    • 1901-06-01 00:00:00.0 – 1901-09-16 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-17(3) Rey van clarissen

    semi-autograph A-17(3)

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

  • click to enlarge

    Anniversary Edition 4

    cd Et'cetera KTC 1435 CD4
    Concertgebouworkest ♦ Bartelink, Bernard ♦ Radio Symfonie Orkest ♦ Spanjaard, Ed ♦ Netherlands Radio Choir ♦ Bogtman, Laurens ♦ Brand, Tom ♦ Kerkhoff, Martha van ♦ Lugt, Elisabeth ♦ Westbroek, Eva-Maria ♦ Toonkunst Koor Amsterdam ♦ Apollo Choir Soest ♦ Beinum, Eduard van

    Tracks: 1 = RC 31; 2 = RC 30; 3-5 = RC 70; 6 = RC 39; 7-8 = RC 116

  • Luxe editie of Vondel's Gijsbrecht van Aemstel Vol II, *.*

    1901 Erven F. Bohn, De
  • Vier Reizangen uit Gijsbrecht van Aemstel

    1896 Erven F. Bohn, De

27 apr 1898: Uitvoering van drie Reyen uit Vondels Gysbrecht van Aemstel in de Concertzaal der Sociëteit Vereeniging te Haarlem door de afd. Haarlem van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst met medewerking van het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Willem Robert. Voor de pauze worden uitsluitend werken van Brahms uitgevoerd. (Tragische Ouverture, Nänie en Tweede symfonie).

Het tweede deel bevatte drie der door den Amsterdamschen toondichter Alphons Diepenbrock gecomponeerde Reyzangen uit Vondel's Gijsbrecht van Aemstel. Dit laatste werk – voor de keuze waarvan het bestuur van onze Toonkunst-afdeeling een woord van warme sympathie toekomt – was het groote punt van attractie voor allen die met mij den heer Alphons Diepenbrock uit de van hem bekende composities hebben leeren hoogschatten als een man van zeer bizonder talent. Ook deze Reyzangen geven van zijn kunst een heerlijk hoog denkbeeld. Diepenbrock is in den waren zin van het woord een toondichter. Het alledaagsche, het geestlooze is hem vreemd. Met heel zijn ziel, met den vollen rijkdom van middelen, hem door ongewone verbeeldingskracht, veelzijdige kennis, gelouterden kunstsmaak in de hand gegeven, streeft hij naar de verwezenlijking van het hem voorzwevende ideaal, zonder zich in zijn hooge vlucht te laten weerhouden door overwegingen van bloot practischen aard. Dit laatste reken ik den componist der Reyzangen natuurlijk niet als een deugd aan; want dat het ideale en het practische zeer goed kunnen samengaan blijkt b.v. uit de koorwerken en de orgelfuga's van den grootmeester Bach, waar de meest vrije vlucht van gedachte, de rijkste ontvouwing van polyphonie toch nimmer een betrekkelijk gemakkelijke uitvoering uitsluiten. Maar een juiste grenslijn is hier moeilijk te trekken en zoolang een componist niet het absoluut onmogelijke verlangt – en dit doet, voor zoover ik kon nagaan, de heer Diepenbrock nergens – heeft niemand het recht hem een ernstig verwijt te maken. Afgezien van de practische zijde kunnen wij van Diepenbrock's werk slechts met bewondering en eerbied spreken. Het merkteeken van het genie staat er onmiskenbaar op afgedrukt. — De uitvoering ervan hoorde ik op de generale repetitie geheel, op den concertavond gedeeltelijk. Het viel mij op dat dezen laatsten keer de gang van het geheel veel losser en elastischer was dan bij de repetitie en dat de vertolking ook in kleur en nuanceering gunstig bij den vorigen avond afstak. — Laten we hopen dat onze afdeeling van Toonkunst het niet bij deze eene uitvoering zal laten. Iedere nieuwe vertolking van het heerlijke werk zal de schoonheid ervan voor uitvoerders en toehoorders meer en meer ontsluieren – en ook zij voor wie tot heden Diepenbrocks kunst een gesloten boek was zullen weldra met sympathie en vereering opzien naar dezen kunstenaar van zoo uitnemende gaven. — Voor den heer Robert moet het groote voldoening zijn het werk te hebben mogen doen kennen en – voor zoover van hem afhing – ook liefhebben. Voor de belangrijke moeite die hij zich heeft willen getroosten komt hem een oprecht woord van dank en hulde toe.

Haarlemsch Dagblad (Philip Loots), 28 april 1898

pdf All reviews for RC 30 Rey van clarissen (“O Kerstnacht, schooner dan de dagen”)