english | nederlands

RC 94* Früh, wann die Hähne krähn

unfinished work

text source

Eduard Mörike, Maler Nolten (Stuttgart: Schweizerbart 1832), Kap. 34
  • Früh, wann die Hähne krähn
  • Mörike, Eduard
  • zangstem en piano
  • 1908-11-25 00:00:00.0

Schetsboek C-9 bevat op p. 56 Diepenbrocks toonzetting van de eerste strofe van Früh, wann die Hähne krähn, een gedicht dat deel uitmaakt van de in 1832 verschenen roman Maler Nolten van Eduard Mörike (1804-1875). De tekst was Diepenbrock bekend van het lied Das verlassene Mägdlein, één van de Mörike-Lieder die Hugo Wolf in 1888 componeerde. In het voorjaar van 1903 heeft Diepenbrock zich, zo meldde hij aan Charles Smulders (BD IV:88), verdiept in het liedoeuvre van Wolf. Vijf jaar later, op 4 november 1908, kwam Diepenbrock in het bezit van de Wolf-biografie van Ernst Decsey. Diepenbrock had grote bewondering voor het oeuvre van zijn generatiegenoot en nam met de alt Anke Schierbeek geregeld Wolfs liederen door. Ook zag hij bij recitals van Aaltje Noordewier-Reddingius graag zijn eigen liederen met die van Wolf gecombineerd. …more >

Früh, wann die Hähne krähn (incipit)


Schetsboek C-9 bevat op p. 56 Diepenbrocks toonzetting van de eerste strofe van Früh, wann die Hähne krähn, een gedicht dat deel uitmaakt van de in 1832 verschenen roman Maler Nolten van Eduard Mörike (1804-1875). De tekst was Diepenbrock bekend van het lied Das verlassene Mägdlein, één van de Mörike-Lieder die Hugo Wolf in 1888 componeerde. In het voorjaar van 1903 heeft Diepenbrock zich, zo meldde hij aan Charles Smulders (BD IV:88), verdiept in het liedoeuvre van Wolf. Vijf jaar later, op 4 november 1908, kwam Diepenbrock in het bezit van de Wolf-biografie van Ernst Decsey. Diepenbrock had grote bewondering voor het oeuvre van zijn generatiegenoot en nam met de alt Anke Schierbeek geregeld Wolfs liederen door. Ook zag hij bij recitals van Aaltje Noordewier-Reddingius graag zijn eigen liederen met die van Wolf gecombineerd.

In een brief van 22 november 1908 raadt Diepenbrock zijn vriend W.G. Hondius van den Broek de biografie van Wolf ter lezing aan: Over zijn liederen staan er goede dingen in. (BD VI:48) Het zal rond deze datum zijn geweest dat Diepenbrock de opening van Mörikes gedicht van muziek voorzag. Het fragment volgt op een schets van de instrumentatie van Der Abend (RC 92), het lied op tekst van Brentano dat hij op 19 november voltooide. Op de pagina erna, gedateerd 29 november, is een thema te vinden dat jaren later van pas zal komen in Lydische nacht (RC 118). Twee pagina’s verder begint Liebesklage (RC 95), waarvan in de schets als dag en jaar van ontstaan 10 december 1908 staat vermeld en dat hij op 17 december voltooide.

Diepenbrocks melodie van Früh, wann die Hähne krähn is eenvoudig van karakter, passend bij de volkstümliche inhoud van het vierstrofige gedicht: een meisje, dat vroeg uit de veren moet voor het aansteken van de haard, beseft ineens dat ze gedroomd heeft van de trouweloze knaap die haar in de steek heeft gelaten. Terwijl de tranen vloeien, verzucht zij: “So kommt der Tag heran – / O ging er wieder!”

Als contrapunt tegen de melodie klinkt gedurende vier maten een stapsgewijs dalende en stijgende lijn van parallelle tertsen – eerst grote, later kleine. De derde en vierde tekstregel zijn van een simpeler begeleidingsfiguur voorzien. Waarschijnlijk heeft Diepenbrock zijn toonzetting meer als een gedachte-oefening bedoeld dan als aanzet tot een serieuze compositie. Hoe dan ook, hij heeft het bij die negen maten gelaten en richtte zijn aandacht op de poëtisch veel interessantere liefdesklacht van Karoline von Günderrode.

Ton Braas



  • C-9(p56) Früh, wann die Hähne krähn

    C-9(p56), 1 page undated

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown