english | nederlands

RC 21 Les elfes (“Couronnés de thym et de marjolaine”)

text source

Oeuvres de Leconte de Lisle. Poèmes barbares (Paris: Alphonse Lemerre s.d.), 100-102
  • Les elfes (“Couronnés de thym et de marjolaine”)
  • Leconte de Lisle, Charles Marie
  • sopraan, bariton, vrouwenkoor en orkest
  • 1887-10-01 00:00:00.0 - 1887-10-31 00:00:00.0 | revised 1896-09-01 00:00:00.0 - 1896-12-31 00:00:00.0

Met de cantate Les elfes op tekst van de Franse dichter Charles Marie Leconte de Lisle (1818-1894) sloot Diepenbrock in 1887 een periode van zeven jaar af waarin 13 liederen en zes meerstemmige vocale zettingen (drie daarvan met pianobegeleiding) tot stand waren gekomen. Enerzijds vormt deze cantate een afronding van Diepenbrocks ontwikkeling als jong componist, anderzijds zette hij ermee de eerste stap in een voor hem nog onontgonnen klankwereld: het orkest. Hoe hij die uitdaging in zijn vroegste partituur tegemoet trad, weten we niet, aangezien het manuscript uit 1887 niet is overgeleverd. Eerst na de compositie van de drie reizangen met orkestbegeleiding uit Vondels Gijsbrecht van Aemstel (RC 30, 31, 33), ontstaan tussen 1893-1895, schreef Diepenbrock in het najaar van 1896 een nieuwe partituur van Les elfes. Deze speelde hij tijdens een bezoek in Luik aan zijn Belgische collega en vriend, de componist Charles Smulders (1863-1934), ter goedkeuring voor op de piano. Hoewel Smulders de muziek en de instrumentatie positief beoordeelde (BD II:468), legde Diepenbrock het werk – na voltooiing van het pianouittreksel in februari 1897 – opzij. …more >

Les elfes (incipit)


Met de cantate Les elfes op tekst van de Franse dichter Charles Marie Leconte de Lisle (1818-1894) sloot Diepenbrock in 1887 een periode van zeven jaar af waarin 13 liederen en zes meerstemmige vocale zettingen (drie daarvan met pianobegeleiding) tot stand waren gekomen. Enerzijds vormt deze cantate een afronding van Diepenbrocks ontwikkeling als jong componist, anderzijds zette hij ermee de eerste stap in een voor hem nog onontgonnen klankwereld: het orkest. Hoe hij die uitdaging in zijn vroegste partituur tegemoet trad, weten we niet, aangezien het manuscript uit 1887 niet is overgeleverd. Eerst na de compositie van de drie reizangen met orkestbegeleiding uit Vondels Gijsbrecht van Aemstel (RC 30, 31, 33), ontstaan tussen 1893-1895, schreef Diepenbrock in het najaar van 1896 een nieuwe partituur van Les elfes. Deze speelde hij tijdens een bezoek in Luik aan zijn Belgische collega en vriend, de componist Charles Smulders (1863-1934), ter goedkeuring voor op de piano. Hoewel Smulders de muziek en de instrumentatie positief beoordeelde (BD II:468), legde Diepenbrock het werk – na voltooiing van het pianouittreksel in februari 1897 – opzij.

Tweemaal, in 1906 en in 1914, diende zich op instigatie van dirigent A.B.H. Verhey (1871-1924) een mogelijkheid van uitvoering aan, maar beide keren wees hij het plan van af. Eerst met de motivatie dat zijn herziening van 1896 voornamelijk als oefening in de orchestratie (BD V:98) tot stand was gekomen, en later met de mededeling:

Het is een studiewerk, niet geschikt ter opvoering. In ieder geval zou ik het geheel over moeten maken, zelfs als ik mij nog met de compositie als zoodanig kon vereenigen. En dan Fransche tekst en een dramatische Sopraan. Waar haalt men die vandaan? (BD VIII:302).

Tot die revisie is Diepenbrock nooit gekomen.

In zes coupletten vertelt het gedicht van Leconte de Lisle van een ridder die, op weg naar zijn aanstaande bruid, de weg wordt versperd door een groep dansende elfen. Hun koningin probeert hem te overreden zich bij hen te scharen en biedt hem daarvoor de kostbaarste schatten uit haar bezit. Als de ridder standvastig blijft, ontpopt ze zich als zijn ultieme vijandin:

Ô mon cher époux, la tombe éternelle
Sera notre lit de noce, dit elle.
Je suis morte!

en treft hem in het hart.

Thematische uitgangspunten

Het gedicht opent met een refrein dat na elk couplet herhaald wordt:

Couronnés de thym et de marjolaine, /
Les elfes joyeux dansent sur la plaine.

Dit refrein heeft in Diepenbrocks compositie zowel een structurele als dramatische functie. In de vorm van een afgeronde, zelfstandige muzikale eenheid geeft het steeds weer een impuls aan het karakteristieke uitgangspunt van de totale compositie: een door de tekst gemotiveerde, voortdurend wiegende beweging. Van de zeven keer dat dit refrein door het vrouwenkoor wordt gezongen, klinken er vier in een vrijwel onveranderde zetting. Daar waar echter het erop volgende couplet een dramatische wending beschrijft, manipuleert de componist de zetting zodanig dat een nieuwe toonsoort wordt geïntroduceerd en een nieuw muzikaal-dramatisch kader ontstaat. Dit gebeurt ook in het afsluitende refrein, dat terug moduleert naar de toonsoort waarmee de orkestrale introductie begon.

Door het hele werk heen realiseert de orkestrale begeleiding een zinderende achtergrond, waartegen direct bij aanvang van de introductie een hoorn klinkt met een melodie waarin de tonica chromatisch omspeeld wordt. Overal in het stuk waar het gevaar – direct of onder de oppervlakte – in de tekst wordt verwoord, zal deze melodie terugkeren. Om het ontbreken van ander zelfstandig muzikaal materiaal te compenseren, worden de twee thematische uitgangspunten telkens met elkaar geconfronteerd in een voortdurende opeenvolging van chromatisch gekleurde toonsoort-contrasten en modulaties waarin tertsverwantschappen en chromatiek een grote rol spelen. De beide vocale partijen voor sopraan en bariton voegen zich als contrapunten naadloos in deze muzikale stroom, waarbij vooral in de afsluitende dialoog tussen elfenkoningin en ridder zich huiveringwekkende momenten voordoen.

Zelden heeft de muziek van Wagners Tristan und Isolde zo’n onderhuidse invloed op Diepenbrock uitgeoefend als in deze partituur. Inhoudelijk en muzikaal is Les elfes echter meer verwant met Gustav Mahlers cantate Das klagende Lied uit 1878-1880, een compositie die Diepenbrock pas in 1906 (in de bewerking van 1898) voor het eerst hoorde, en waarvan hij diep onder de indruk was. (BD V:110) Kan het zijn dat deze kennismaking heeft bijgedragen aan zijn besluit Les elfes niet in de openbaarheid te brengen? In 1906 gaapte tussen dit werk en Diepenbrocks recente composities muzikaal en stilistisch een veel groter contrast dan tussen Mahlers jeugdwerk en diens werken van rond 1900. Dit alles doet echter niets af aan de merites van deze geïnspireerde compositie.

Jaap van Benthem



Couronnés de thym et de marjolaine,
Les Elfes joyeux dansent sur la plaine.

Du sentier des bois aux daims familier,
Sur un noir cheval, sort un chevalier.
Son éperon d’or brille en la nuit brune;
Et, quand il traverse un ravon de lune,
On voit resplendir, d’un reflet changeant,
Sur sa chevelure un casque d’argent.

Couronnés de thym et de marjolaine,
Les Elfes joyeux dansent sur la plaine.

Ils l’entourent tous d’un essaim léger
Qui dans l’air muet semble voltiger.
- Hardi chevalier, par la nuit sereine,
Où vas-tu si tard? dit la jeune Reine.
De mauvais esprits hantent les forêts
Viens danser plutôt sur les gazons frais.

Couronnés de thym et de marjolaine,
Les Elfes joyeux dansent sur la plaine.

– Non! ma fiancée aux yeux clairs et doux
M’attend, et demain nous serons époux.
Laissez-moi passer, Elfes des prairies,
Qui foulez en rond les mousses fleuries;
Ne m’attardez pas loin de mon amour,
Car voici déjà les lueurs du jour.

Couronnés de thym et de marjolaine,
Les Elfes joyeux dansent sur la plaine.

– Reste, chevalier. Je te donnerai
L’opale magique et l’anneau doré,
Et, ce qui vaut mieux que gloire et fortune,
Ma robe filée au clair de la lune.
- Non! dit-il. - Va donc! - Et de son doigt blanc
Elle touche au coeur le guerrier tremblant.

Couronnés de thym et de marjolaine,
Les Elfes joyeux dansent sur la plaine.

Et sous l’éperon le noir cheval part.
Il court, il bondit et va sans retard;
Mais le chevalier frissonne et se penche;
Il voit sur la route une forme blanche
Qui marche sans bruit et lui tend les bras:
– Elfe, esprit, démon, ne m’arrête pas!

Couronnés de thym et de marjolaine,
Les Elfes joyeux dansent sur la plaine.

Ne m’arrête pas, fantôme odieux!
Je vais épouser ma belle aux doux yeux.
– Ô mon cher époux, la tombe éternelle
Sera notre lit de noce, dit-elle.
Je suis morte! – Et lui, la voyant ainsi,
D’angoisse et d’amour tombe mort aussi.

Couronnés de thym et de marjolaine,
Les Elfes joyeux dansent sur la plaine.


  • A-19 Les Elfes

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83

    Nomenclature: 2 fl, pic, 2 ob (2. also ci), 2 cl, 2 fg / 4 cor, 2 tr, 3 trb / timp, tri, arpa / archi

    Manuscripts: A-19 dated on the first page 1896 and on the last page (Octob 1887.) Sept – Dec 1896

    • 1887-10-31 00:00:00.0 – 1896-12-31 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 83