english | nederlands

RC 147* Roses dans la nuit

unfinished work

text source

Pierre Louÿs, Les chansons de Bilitis. Traduites du grec. Accompagnée de 300 gravures et de 24 planches en couleurs hors texte par Notor d’après des documents authentiques des musées d'Europe (Paris: Librairie Charpentier et Fasquelle 1911), 74-75
  • Roses dans la nuit
  • Louÿs, Pierre
  • zangstem en piano
  • 1920-01-01 00:00:00.0 - 1920-12-31 00:00:00.0

Diepenbrock had de Franse schrijver en dichter Pierre Louÿs (1870-1925) leren kennen uit diens roman Aphrodite, moeurs antiques, in 1896 gepubliceerd in de Mercure de France. Voor de inhoud kon hij weinig waardering opbrengen, omdat hij die nogal schuin vond. (BD V:256) Het zijn de door Claude Debussy gecomponeerde liederen Trois chansons de Bilitis uit 1897-1898 waardoor Diepenbrock kennis maakt met Louÿs’ korte prozaschetsen, oorspronkelijk verschenen in 1894. …more >

Roses (incipit)


Diepenbrock had de Franse schrijver en dichter Pierre Louÿs (1870-1925) leren kennen uit diens roman Aphrodite, moeurs antiques, in 1896 gepubliceerd in de Mercure de France. Voor de inhoud kon hij weinig waardering opbrengen, omdat hij die nogal schuin vond. (BD V:256) Het zijn de door Claude Debussy gecomponeerde liederen Trois chansons de Bilitis uit 1897-1898 waardoor Diepenbrock kennis maakt met Louÿs’ korte prozaschetsen, oorspronkelijk verschenen in 1894.

Hoewel de auteur de teksten als vertalingen van antieke originelen in het Grieks had uitgegeven, werd al snel duidelijk dat deze voorstelling van zaken op handig gekozen misleiding berustte, die zelfs door deskundigen niet onmiddellijk was herkend. In 1910 schrijft Diepenbrock aan Willem Kloos over deze bundel:

Het is een mystificatie en in de schilderingen der oriëntalische prostitutie komt duidelijk de Parijsche boulevardier als “pitheek” uit den mouw kijken. (BD VI:297)

Aangezien Diepenbrock het woord “pitheek” (Grieks: pithēkos = aap) bezigde voor – in zijn ogen – onbeschaafde en brutale opscheppers, is zijn oordeel duidelijk: naar zijn inschatting had Louÿs met zijn publicatie vooral het schandaal gezocht. Maar uiteindelijk schaft hij zich op 8 november 1912, zij het eigenlijk meer uit belangstelling voor Debussy (BD VIII:55), toch ook zelf een complete uitgave van de teksten aan. Eerst rond 1920 schijnt een van de prozafragmenten hem kort te hebben geboeid.

De tekst is een evocatie van de vallende nacht waarin Bilitis, dwalend met haar geliefde onder flonkerende sterren en omgeven van de geur van rozen, haar gevoelens verwoordt. Mogelijk herinnerde de tekst Diepenbrock aan het korte geluk dat de relatie met Johanna Jongkindt hem tien jaar eerder had gebracht; wat echter voor de oudere componist deze tekst mogelijk aantrekkelijk maakte om te componeren, zou de eerste zin van de tweede alinea hebben kunnen zijn:

Les petites étoiles brillent assez pour les petites ombres que nous sommes.

Desondanks dringt het vermoeden zich op dat Diepenbrocks compositorische verleden hem belemmerde zulke emoties nog eens te herhalen op basis van Louÿs’ toch wel wat ‘makkelijke’ tekst. Zowel zijn eigen magistrale muzikale evocaties in Die Nacht (RC 106) en Lydische nacht (RC 118), als zijn schildering van de nietige mens tegenover de natuur in Nietzsches Im grossen Schweigen (RC 67) verdroegen een dergelijke recapitulatie in miniatuur niet meer.

Jaap van Benthem



Roses dans la nuit

Dès qua la nuit monte au ciel,
le monde est à nous, et aux Dieux.
Nous allons des champs à la source,
des bois obscure aux clairières,
où nous mènent nos pieds nus.

Les petites étoiles brillent assez
pour les petites ombres que nous sommes.
Quelquefois, sous les branches basses,
nous trouvons des biches endormies.

Mais plus charmant la nuit que toute autre chose,
il est un lieu connu de nous seuls
et qui nous attire à travers la forêt:
un buisson de roses mystérieuses.

Car rien n’est divin sur la terre
à l'égal du parfum des roses dans la nuit.
Comment se fait-il qu’au temps où j’étais seule
je ne m'en sentais pas enivrée?
 

 

 


 


  • C-37(1) Roses dans la nuit

    C-37(1) = 1 page, undated

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown