english | nederlands

RC 118 Lydische nacht (“Langs ruige rotsen, door verwarde wingerd-ranken”)

text source

Balthazar Verhagen, Lydische Nacht, in Onze Eeuw Vol. 11 (1911), 129-133

first performance

1914-01-22 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw

dedicatees

publications

  • Lydische nacht (full score) Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 9577266
  • Lydische nacht (piano score) Alphons Diepenbrock Fonds 12305

  • Lydische nacht (“Langs ruige rotsen, door verwarde wingerd-ranken”)
  • Verhagen, Balthazar
  • bariton, declamator en orkest
  • 1913-05-16 00:00:00.0 - 1913-11-16 00:00:00.0
  • duration 24:00

Lydische nacht, Diepenbrocks laatste symfonische lied, gecomponeerd op een gedicht van zijn oud-leerling klassieke talen Balthazar Verhagen (1881-1950), neemt in zijn oeuvre een speciale plaats in: het is het enige niet voor het toneel bedoelde werk waarin de combinatie spreekstem met muziek (melodrama) voorkomt. Verhagen was ook de tekstdichter van de komedie Marsyas, of De betooverde bron (RC 101), waarvoor Diepenbrock toneelmuziek had geschreven in de jaren 1909-1910. In beide gevallen heeft de componist, die tevens classicus was, zich intensief bemoeid met de tekst. …more >

Lydische nacht (incipit)


Lydische nacht, Diepenbrocks laatste symfonische lied, gecomponeerd op een gedicht van zijn oud-leerling klassieke talen Balthazar Verhagen (1881-1950), neemt in zijn oeuvre een speciale plaats in: het is het enige niet voor het toneel bedoelde werk waarin de combinatie spreekstem met muziek (melodrama) voorkomt. Verhagen was ook de tekstdichter van de komedie Marsyas, of De betooverde bron (RC 101), waarvoor Diepenbrock toneelmuziek had geschreven in de jaren 1909-1910. In beide gevallen heeft de componist, die tevens classicus was, zich intensief bemoeid met de tekst.

Ofschoon Verhagen het in de Griekse oudheid gesitueerde herdersgedicht Lydische nacht in 1911 al had gepubliceerd, onderging de tekst ingrijpende wijzigingen tijdens het compositorische proces. In juni 1913 schrijft Diepenbrock aan Verhagen dat hij de eerste zeven strofen wil laten declameren en daarna de declamatie wil laten overgaan in zang. (BD VIII:180) Omdat Diepenbrock in zijn brief ook aangeeft een aantal coupletten te willen schrappen en zich ontevreden toont over diverse tekstpassages, ontspint zich in de weken daarna een uitvoerige schriftelijke discussie tussen beiden, met steeds aanpassingen in de tekst tot gevolg.

In juli 1913 meldt de componist de tekstdichter (BD VIII:191) dat hij inderdaad de zang heeft laten intreden bij de tekst:

Artemis, Artemis,
Nachtelijk dwalende
Wonderbaar stralende
Boeiende beeltenis
Aller geheimen!

Omdat het hier geciteerde tekstfragment, waarmee de regelmatige gang van de alexandrijnen wordt onderbroken, niet voorkomt in Verhagens oorspronkelijke gedicht, zijn deze versregels mogelijk door Diepenbrock ingegeven. De lyrische aanroeping van Artemis (als maangodin) door de herder is hét moment voor de componist om de zang te laten inzetten. Hoewel hij aanvankelijk van plan was om in het vervolg van de compositie de spreekstem te laten terugkeren (BD VIII:191), heeft hij besloten om de tweede helft in zijn geheel te laten zingen, ook daar waar de tekst van de directe rede naar de indirecte rede terugkeert. De overgang van melodrama naar zingen komt voor de luisteraar volledig onverwachts en maakt daarom volgens Eduard Reeser “een ongehoord suggestieve indruk”, zoals hij in 1949 in een programmatoelichting schreef.1

Tegenstelling

Lydische nacht draait volgens Diepenbrock om de tegenstelling tusschen de koude majesteit der maan en het overkropte gemoed van den herder die in de nachtstilte het tumult zijner eigen Sehnsucht voelt opkomen. (BD VIII:191) Om dit spanningsveld muzikaal gestalte te geven is een aantal thema’s gebruikt met als belangrijkste dat van de herder (zie m. 63-65 en 68-70) en dat van Artemis.

Dit monumentale thema wordt steeds breed neergezet (maestoso) en vertoont bij de eerste inzet een opvallende afwisseling tussen vierkwarts- en vijfkwartsmaat. Ook de zachte begeleiding, met flageolettonen in solo-viool, en daarbij fluit, piccolo, harp en trombones, is sfeerbepalend.

In een groot tussenspel na het dertiende couplet (eindigend met “onder den greep der godheid, die geen mildheid kent”) wordt de climax van het werk bereikt, met eerst een più mosso agitato poco, waarna het thema van Artemis op volle sterkte terugkeert, nu maestoso, appassionato.

Aan de orkestrale zetting van Lydische nacht heeft Diepenbrock veel tijd en aandacht besteed. Ook al schreef hij eind juli 1913 aan een vriendin dat hij al een deel van het werk had geïnstrumenteerd (BD VIII:201), het zou nog tot november duren voor hij de partituur voltooide. Twijfels over de kwaliteit van de tekst (eigenlijk maar gerijmel tekende Elisabeth Diepenbrock in haar dagboek aan) waren er de voornaamste oorzaak van dat Diepenbrock de compositie herhaaldelijk ter zijde schoof. (BD VIII:218) Maar toen eind augustus bariton Gerard Zalsman het werk met hem doorzong en er enthousiast voor werd, raakte ook Diepenbrock overtuigd van het muzikale gehalte. (ibid.)

Met dit symfonische lied stuurde Diepenbrock aan op een nieuwe, meer transparante klankkleur, waarover hij zelf, verwijzend naar de door hem bewonderde Hector Berlioz, schreef:

Het wordt licht geinstrumenteerd, anders dan Marsyas en de Gysbrecht, maar naar hetzelfde principe individualiser et dématérialiser l’instrumentation. (BD VIII:181-182)

Hoewel dit nieuwe palet vooral Diepenbrocks Franse oriëntatie verraadt (in het bijzonder op de muziek van Claude Debussy, wiens Prélude à l’après-midi d’un faune hij had bestudeerd), zijn er ook reminiscenties aan de klankwereld van Gustav Mahler. Na zijn kennismaking met Mahlers Das Lied von der Erde in het voorjaar van 1913 (Nederlandse première op 24 april door het Concertgebouworkest), toonde Diepenbrock zich zeer onder de indruk van dat werk. (BD VIII:158) De houtblazerspassages in Lydische nacht (met fluiten, hobo’s, oboe d’amore, althobo, klarinetten, basklarinet en fagotten), vooral die in het voorlaatste couplet ter illustratie van de “voog’len zilv’ren morgenzang” (tussen partituurcijfer 60 en 61), kunnen geassocieerd worden met de vogelgeluiden uit het slotdeel van Mahlers compositie. De voorkeur die Diepenbrock aan de dag legde voor de oboe d’amore, was trouwens niet nieuw; hij schrijft het instrument immers ook voor in het symfonische lied Die Nacht uit 1911 (RC 106) en de Muziek bij Gijsbrecht van Aemstel uit 1912 (RC 108).

Reacties na de eerste uitvoering

Bij de première van Lydische nacht op 22 januari 1914 leidde Diepenbrock zelf het Concertgebouworkest. Bij de herhaling, drie dagen later, combineerde hij het werk met Mahlers Vierde Symfonie, die hij al enkele malen had gedirigeerd. Een aantal recensenten had moeite met het gebruik van melodrama in Lydische nacht. Zo werd er na de tweede uitvoering gesteld door de recensent van het Algemeen Handelsblad: Het melodrama of declamatorium bevredigt zelden. Ook over het aandeel van Gerard Zalsman als solist waren de meningen niet onverdeeld gunstig. Diverse auteurs vonden hem geschikter als zanger dan als declamator. Maar over de orkestratie van Lydische nacht waren de meeste reacties lovend. Diepenbrocks nieuwe wijze van instrumenteren was voor Matthijs Vermeulen na de tweede uitvoering aanleiding tot een uitvoerige en genuanceerde bespreking:

Verder en verder verwijdert Diepenbock zich van zijn eersten stijl. Men kan ’t niet alleen waarnemen aan de geleidelijk verandering van het orchestrale coloriet, dat langzaam vervloeide tot een eenheid van schaduwende tint, waarover het klare licht wonderbaar deinst, niet alleen aan de wisseling van atmosfeer, welke met Marsyas voor ’t eerst doorgloeid werd van zon, behaaglijk en streelend aanvoelde, waarlijk niet alleen aan den nieuwen gezichtshoek, welke gericht is op deze mediterraneesche bekoorlijkheid. Ook het sentiment spreekt zich anders uit. Men hoort er den natuur-toon, en niet meer geobserveerd door een temperament; er klink een ander vibrato door de Lydische Nacht, dieper, inniger, fluïdieker en magischer, omdat hij naiever en meer zuiver-menschelijk geïntoneerd wordt […]. (BD VIII:661-662)

Désirée Staverman

1 Programma Concertgebouworkest d.d. 27-11-1949.

 



Lydische nacht
Langs ruige rotsen, door verwarde wingerd-ranken,
Die kloven dekken en zich sling'ren om den voet,
Beklom de Lydiër der bergen steile flanken
En dreef zijn geiten opwaarts in den middaggloed,
Ter rustplaats, naar de koele, wel-beschutte grot,
Waar 't vee de knieën boog tot sluimer's mild genot.

Waar de gebroken bergwand loodrecht nederhelde,
Daar zette hij zich neêr, in de eenzaamheid verdroomd;
Hoog boven 't woudrijk dal, waar de Kaystros snelde,
In slanke bochten schietend onder 't oud geboomt',
Tot hij verbreed en kalm, berustend in den dood,
Zich in den oceaan en de eeuwigheid vergoot.

De lange zomerdag vergloeide en slonk ten leste,
De roode zon dook neêr naar 't grondelooze blauw
Van oceaan en lucht. Daar, in het wazig Westen,
Verrees de karmozijn-omgloorde zuilenbouw
Van Hera's trotschen tempel, die op 't pauw-beroemd
En palmenrijke Samos uit de waat'ren doemt.

Maar in het Oosten, uit onmeetlijk-diepe dalen
Van Azië's binnenlanden kwam de Duisternis,
Aanzwellend langs het zwerk, en in geruischloos dwalen
Verslond zij top na top der ruige Messogis,
Bedwelming sprenkelend van droomenzwaren vreê -
En stilte zeeg op de aarde en op de wijde zee.

Toen, steunend op den slag der breed-gestreken vleugels
Van 't fonkeloogig, ruischend griffioenenpaar,
Steeg uit heur heiligdom, met strak-getrokken teugels,
Den blik omhoog gericht, stom, bleek en wonderbaar,
Ephesische Artemis, de Koningin der Nacht,
Kalliste, maagdelijk, in ongenaakb're pracht.

De Nacht! De rijk-gestarnde, zwijgende, ademlooze,
Vol zilv'ren huivering, vol huiverende stilt,
Zij, die het menschenhart, het kloppende, het brooze,
Aanvat met siddering, die 't warme bloed verkilt,
Den lichten geest verwildert en 't verstarde brein
Met visioenen kwelt, die niet des Levens zijn.

Daar zat hij op de rots, zwaar ademend - hij waakte,
Bang, eenzaam, in het roerloos en vervreemd heelal,
Ontving de godheid, die zijn bonzend hart genaakte
En hem de onwetendheid, den droom der jeugd ontstal,
Een brandende onrust in de stille ziel hem schiep,
Totdat hij smeekend beide handen strekte en riep:

Artemis, Artemis,
Nachtelijk dwalende,
Wonderbaar stralende.
Boeiende beeltenis
Aller geheimen!

Hij viel op 't aangezicht, brak uit in smartlijk steunen
En sloeg zijn nagels krimpend om den harden steen,
Zijn slapen brandden in een wild en kloppend dreunen,
En met den gloed zijns bloeds vlood zijn bewustzijn heen,
Onder het wentlen van het raadslig firmament,
Onder den greep der godheid, die geen mildheid kent....

De maan nam af, de sterren deinsden, gingen onder,
De toppen gloorden teeder, rozenrood belicht:
De blijde Dageraad, het eeuwen-oude wonder,
Verhief zich jong en schoon voor 's wereld's aangezicht,
En goot uit volle kannen 't koele morgengoud
Op bergen en valleien en 't omsomberd woud.

En met den verschen geur van bloemen en van kruiden
Steeg uit het dal der vooglen zilv'ren morgenzang:
Dat wekte 't vreedzaam vee, 't sprong op en blaatte luide
En drong zich om zijn herder, lekte hem de wang,
Zoodat hij oprees en, bedwelmd nog van zijn droom,
Half willoos bergaf volgde naar den klaren stroom.

Hij nam ten morgenmaal zich koel bedauwde druiven,
Hij drukte vocht'ge blâren aan zijn brandend hoofd,
Hij zag het vluchtig spel van vlinderen en duiven,
Zijn trage bloed werd warm, in de uchtendzon gestoofd.
En hij ervoer, dat na de diepste ontsteltenis
Toch 't leven zalig en vol milde blijheid is!


  • A-75 Lydische nacht (full score)

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82

    full score A-75 with dedication Aan mijn vriend Gerard Zalsman and dated on the title page Mei – Nov. 1913 and on the last page 24 Octob. 1913

    • 1913-10-24 00:00:00.0
    • dedication: Aan mijn vriend Gerard Zalsman
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 82
  • A-64(14) Lydische nacht (vocal part, fragment)

    autograph vocal part (fragment) A-64(14)

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-10(4) Lydische nacht (piano score)

    Piano score B-10(4) with the same dedication and dated on the last page 7 Nov 1913

    • 1913-11-07 00:00:00.0
    • dedication: Aan mijn vriend Gerard Zalsman
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-17 Lydische nacht (piano score)

    semi-autograph piano score B-17 with dedication Aan mijn trouwe vriend Gerard Zalsman and dated gecomponeerd door Alphons Diepenbrock 16 Mei 16 Nov. 1913

    • 1913-05-16 00:00:00.0 – 1913-11-16 00:00:00.0
    • dedication: Aan mijn trouwe vriend Gerard Zalsman
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-18(10) Lydische nacht (piano score)

    copy piano score B-18(10) dated on last page 7 Nov. 1913

    • 1913-11-07 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

Lydische nacht - bewerkt tot symfonisch gedicht door Eduard Reeser - uitgevoerd door het Residentie Orkest o.l.v. Ed Spanjaard



  • Lydische nacht (full score)

    1925 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)
  • Lydische nacht (piano score)

    1948 Alphons Diepenbrock Fonds

22 jan 1914: Eerste uitvoering van Lydische nacht in het Concertgebouw te Amsterdam door Gerard Zalsman met het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Diepenbrock. Vooraf ging een concert voor strijkorkest van Vivaldi, na de pauze de Derde symfonie van Bruckner, beide onder leiding van Willem Mengelberg.

Tusschen het dit seizoen reeds meermalen gespeelde concert voor strijkorkest van Vivaldi en de Derde Symphonie van Bruckner, heeft Mengelberg zijn plaats afgestaan aan A. Diepenbrock, die zelf de eerste uitvoering leidde voor zijn nieuwste werk: Lydische nacht, voor declamatie, zang en orkest. — Diepenbrock is een intellectueel-kunstenaar en misschien is dat de oorzaak, dat hij steeds teksten behoeft, om zijn muziek te illustreeren, terwijl hij die muziek tevens door het gesproken of gezongen woord vorm geeft. — Desondanks voelt hij weinig vocaal, sterk instrumentaal. En wat ik vroeger opmerkte, geldt hier nog meer: de tekst is het “programma” dat hoorbaar wordt. Reeds is de consequentie in deze richting grooter, nu een groot deel van het gedicht gedeclameerd wordt, terwijl de overgangen van declamatie naar zang, deze gesproken zang zelf merkwaardig zijn uit het oogpunt van proefneming. — Het gedicht van Balthazar Verhagen is uit een poëtische gedachte ontstaan en heeft ook enkele mooie beelden en zinswendingen. Maar het is veel te lang, te antiek en vooral te doorspekt met Tollens'sche rhetoriek. — Zelfs als Gerard Zalsman van het gesproken woord iets belangrijkers en minder eentonigs had weten te maken, en de zangpartij hem gunstiger gelegen had, ik geloof zèlfs als het gedicht grooter literaire waarde had, dan nòg zou het woord mij gehinderd hebben. Want de muziek van Diepenbrock bergt buitengewone schoonheden. Reeds de inleiding is van die eigenaardig pantheïstische natuurbeschrijving, die ons ook reeds in Diepenbrock's muziek bij het tooneelspel van Verhagen bekoorde; het is vol charme en geheimzinnigheid, weemoed en droomen. En ook verder treft steeds weer iets moois; het hoogtepunt van warme, edele melodiek en diep-innige schoonheid wordt bereikt na de woorden: “onder den greep der godheid, die geen mildheid kent.” – Maar er is ook veel, dat slechts aanvullend werken moet en veel, dat ons door de stem van den mensch bedorven wordt. Als Diepenbrock nog eens besluiten kon, deze muziek om te werken en te verkorten tot zuiver-instrumentaal gedicht, desnoods met de inspireerende woorden van Verhagen als verklaring in het programma, ik geloof, wij zouden een heerlijk werk rijker worden, een werk, waarin Diepenbrock's rijpheid en ik in àlle opzichten (men vergelijke b.v. deze orkestrale klaarheid bij de zwaarte van Vondels vaart!) zou openbaren. — Misschien dat dan ook het gedeelte van het publiek, dat nu het àndere deel lang en aanhoudend liet applaudisseeren, ook overtuigd zou worden.

De Telegraaf (L.v.G.[igch] Jr.), 23 januari 1914

pdf All reviews for RC 118 Lydische nacht (“Langs ruige rotsen, door verwarde wingerd-ranken”)