english | nederlands

RC 125 Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)

text source

Novalis Schriften Vol. II (Berlin: G. Reimer, 1837 5th edition), 27-28

first performance

1924-05-18 00:00:00.0 Amsterdam, concertgebouw

publications

  • Geistliches Lied Donemus/ADF 14347255

  • Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)
  • Novalis
  • sopraan en instrumentaal ensemble
  • 1915-09-01 00:00:00.0 - 1915-09-30 00:00:00.0

Het was op verzoek van het Concertgebouw-sextet dat Diepenbrock in 1915 het in 1898 voor Aaltje Noordewier-Reddingius gecomponeerde Wenn ich ihn nur habe op tekst van Novalis (RC 45) heeft voorzien van een begeleiding voor blaaskwintet en contrabas. Dit Geistliches Lied had hij in 1906 al geïnstrumenteerd voor klein orkest (RC 72). Bij de bewerking, die vermoedelijk in september 1915 tot stand is gekomen, is Diepenbrock niet uitgegaan van de orkestversie. Zoals hij zelf aangeeft in de autograaf, is de instrumentatie voor blaaskwintet en contrabas gebaseerd op de oorspronkelijke versie met orgelbegeleiding, waarin hij specifieke aanwijzingen voor de registratie had gegeven. In de nieuwe partituur komt het lijnenspel van de compositie beter tot zijn recht dan op het orgel, dankzij de verschillende timbres van de solistisch aangewende blaasinstrumenten, op een fundament van de contrabas. Daarmee heeft Diepenbrock ook in dit lied de grotere transparantie bereikt waar hij in latere jaren onverminderd naar zocht, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het uitdunnen, in 1913, van de begeleiding van zijn andere georkestreerde Novalis-lied, de Abendmahlshymne “Wenige wissen das Geheimnis der Liebe” (RC 58). …more >

Geistliches Lied (incipit)


Het was op verzoek van het Concertgebouw-sextet dat Diepenbrock in 1915 het in 1898 voor Aaltje Noordewier-Reddingius gecomponeerde Wenn ich ihn nur habe op tekst van Novalis (RC 45) heeft voorzien van een begeleiding voor blaaskwintet en contrabas. Dit Geistliches Lied had hij in 1906 al geïnstrumenteerd voor klein orkest (RC 72). Bij de bewerking, die vermoedelijk in september 1915 tot stand is gekomen, is Diepenbrock niet uitgegaan van de orkestversie. Zoals hij zelf aangeeft in de autograaf, is de instrumentatie voor blaaskwintet en contrabas gebaseerd op de oorspronkelijke versie met orgelbegeleiding, waarin hij specifieke aanwijzingen voor de registratie had gegeven. In de nieuwe partituur komt het lijnenspel van de compositie beter tot zijn recht dan op het orgel, dankzij de verschillende timbres van de solistisch aangewende blaasinstrumenten, op een fundament van de contrabas. Daarmee heeft Diepenbrock ook in dit lied de grotere transparantie bereikt waar hij in latere jaren onverminderd naar zocht, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het uitdunnen, in 1913, van de begeleiding van zijn andere georkestreerde Novalis-lied, de Abendmahlshymne “Wenige wissen das Geheimnis der Liebe” (RC 58).

In mei 1916 vermeldt Diepenbrock dat Noordewier de nieuwe versie van Wenn ich ihn nur habe al in Arnhem heeft gepresenteerd, onder leiding van Evert Cornelis (1884-1931), de pianist van en drijvende kracht achter het Concertgebouw-sextet. (BD IX:111) Gegevens over deze première zijn helaas niet overgeleverd. De uitvoering door dezelfde executanten in het Amsterdamse Concertgebouw, op 18 oktober van dat jaar, is goed voor een warme ovatie van het publiek. In De Telegraaf prijst Matthijs Vermeulen daags na het concert Diepenbrocks nieuwe bewerking van Wenn ich ihn nur habe:

De tekst luidt als een gebed, of als eene bladzijde van Suso, den meest romantischen mysticus, de muziek zucht die verliefdheid na in de zachtste, maar ook de huiverendste lente-sensaties. [...] De vier houtblazers waren ook gelukkig in het Geistliches Lied van Diepenbrock, die hier weer een van zijn vèrziende coloristische invallen had, toen hij aan ’t ensemble een contrabas toevoegde. Dat kleurde wonderbaarlijk. (BD IX:515)

In februari 1918 wordt het lied herhaald, nu in combinatie met Diepenbrocks in de zomer van 1917 voor sopraan en blaaskwintet gecomponeerde Come raggio di sol (RC 139). Ook in later jaren stonden beide stukken regelmatig op de programma’s van het Concertgebouw-sextet.

Désirée Staverman



Wenn ich ihn nur habe,
Wenn er mein nur ist,
Wenn mein Herz bis hin zum Grabe
Seine Treue nie vergißt:
Weiß ich nichts von Leide,
Fühle nichts als Andacht, Lieb’ und Freude.

Wenn ich ihn nur habe,
Laß ich alles gern,
Folg’ an meinem Wanderstabe
Treugesinnt nur meinem Herrn;
Lasse all die Andern
Breite, lichte, volle Straßen wandern.

Wenn ich ihn nur habe,
Schlaf ich fröhlich ein.
Ewig wird zu süßer Labe
Seines Herzens Flut mir sein,
Die mit sanftem Zwingen
Alles wird erweichen und durchdringen.

Wenn ich ihn nur habe,
Hab’ ich auch die Welt;
Selig wie ein Himmelsknabe,
Der der Jungfrau Schleier hält.
Hingesenkt im Schauen
Kann mir vor dem Irdischen nicht grauen.

Wo ich ihn nur habe,
Ist mein Vaterland,
Und es fällt mir jede Gabe,
Wie ein Erbteil in die Hand.
Längst vermißte Brüder
Find’ ich nun in seinen Jüngern wieder.


  • B-11(9) Geistliches Lied

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19

    B-11(9) with remark on the title page naar de oorspronkelijke orgelbezetting voor het Concertgebouw-Sextet voor blaasquintet en Contrabas gezet (1915)

    • 1915-01-01 00:00:00.0 – 1915-12-31 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 19

  • Geistliches Lied

    1975 Donemus/ADF

18 okt 1916: Uitvoering van Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”) in de Kleine Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam door Aaltje Noordewier-Reddingius en het Concertgebouw-Sextet (Evert Cornelis (piano), Nic. Klasen (fluit), G. Blanchard (hobo), P. Swager (clarinet), H. Tak (hoorn), J.S. de Groen (fagot) en H. van Deursen (contrabas), als laatste nummer voor de pauze. Voorts werken van Gevin Jeune, Händel, Mozart, Rameau-Dresden, Spohr, Schubert en Magnard.

Maar toen mevrouw Noordewier-Reddingius den “Incarnatus est” van Mozart inzette en zich-zelf langzamerhand in de koele, bovenzinnelijke extase zong, die háár droom en vervoering is, toen klonk iedere triller en de simpelste toonladder als een heilig geruisch. Dat waren weer de oude, on-aardsche deiningen van melodie en klank. Ieder begreep ze en voelde ze als verschijningen. — Diepenbrock's Geistliches Lied had dezelfde kracht, omdat het denzelfden gloed had. Het is de goddelijke liefde van Novalis, gecomponeerd voor Mevr. Noordewier. De tekst luidt als een gebed, of als eene bladzijde van Suso, den meest romantischen mysticus, de muziek zucht die verliefdheid na in de zachtste, maar ook de huiverendste lente-sensaties. Deze religieuse vurigheid van Diepenbrock blijft toch altijd de tonaliteit van Verlaine's Sagesse zeer nabij en wat is er verrukkelijker dan deze mystieke liefde, van welke men zeker weet, of zij voor een mensch gedacht is of voor een god? [...] De vier houtblazers waren ook gelukkig in het Geistliches Lied van Diepenbrock, die hier weer een van zijn vèrziende coloristische invallen had, toen hij aan 't ensemble een contrabas toevoegde. Dat kleurde wonderbaarlijk. [...] Er is prachtig gemusiceerd waarvan Evert Cornelis zonder twijfel de innerlijke drijfkracht was. Hij dirigeerde Diepenbrock weer even sensitief als vroeger... toen hij nog dirigeerde in het Concertgebouw, zou ik haast zeggen.

De Telegraaf (Matthijs Vermeulen), 19 oktober 1916

pdf All reviews for RC 125 Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)