english | nederlands

RC 130 Puisque l’aube grandit

text source

Paul Verlaine, La bonne chanson (Paris: Vanier 1891), 8-10

first performance

1916-08-16 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw

recordings

  • Anniversary Edition 3 Et'cetera KTC 1435 CD3

publications

  • Trois mélodies pour une voix grave et orchestre Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds 33291266

  • Puisque l’aube grandit
  • Verlaine, Paul
  • mezzosopraan en orkest
  • 1916-07-05 00:00:00.0 - 1916-07-19 00:00:00.0
  • duration 7:00

Toen Diepenbrock op 5 juli 1916 aan de instrumentatie van Puisque l’aube grandit (RC 97) begon, was het lang geleden dat hij een pianolied had georkestreerd. Van wie het initiatief is uitgegaan tot bewerking van deze compositie uit 1909, is onbekend. Gezien het feit dat de uitvoering reeds op 16 augustus plaatsvond, ligt het voor de hand om aan te nemen dat ofwel de zangeres, Elise Menagé Challa (1888-1962), ofwel het Residentie-Orkest het verzoek bij Diepenbrock heeft neergelegd. De orkestratie kwam in twee weken tijd tot stand. …more >

Puisque l'aube grandit (incipit)


Toen Diepenbrock op 5 juli 1916 aan de instrumentatie van Puisque l’aube grandit (RC 97) begon, was het lang geleden dat hij een pianolied had georkestreerd. Van wie het initiatief is uitgegaan tot bewerking van deze compositie uit 1909, is onbekend. Gezien het feit dat de uitvoering reeds op 16 augustus plaatsvond, ligt het voor de hand om aan te nemen dat ofwel de zangeres, Elise Menagé Challa (1888-1962), ofwel het Residentie-Orkest het verzoek bij Diepenbrock heeft neergelegd. De orkestratie kwam in twee weken tijd tot stand.

Het inschakelen van een kleine bezetting (één fluit, twee hobo’s, twee klarinetten, twee fagotten, twee hoorns en strijkers) voor dit gepassioneerde lied beargumenteerde Diepenbrock als volgt:

Volgens een Italiaan van een eeuw geleden moest de begeleiding een “eerewacht” zijn, en niet, zooals de “modernen” het toen deden, “een troep gendarmen”. Ik heb getracht op dat standpunt terug te komen. (BD IX:140)

Over het resultaat was Diepenbrock zo tevreden dat hij besloot de orkestratie uit 1907 van Recueillement (RC 79/80) vanuit hetzelfde criterium te herzien.

Van de première door Elise Menagé Challa (1891-1962) en het Residentie-Orkest onder leiding van Rhené-Bâton (1879-1940) is geen recensie bewaard gebleven. Wel is gedocumenteerd dat zij Diepenbrocks Puisque l’aube grandit in het najaar van 1923 heeft gezongen bij het Orchestre Colonne in Parijs.

Ton Braas



Puisque l'aube grandit

Puisque l'aube grandit, puisque voici l'aurore,
Puisque, après m'avoir fui longtemps, l'espoir veut bien
Revoler devers moi qui l'appelle et l'implore,
Puisque tout ce bonheur veut bien être le mien,

C'en est fait à présent des funestes pensées,
C'en est fait des mauvais rêves, ah ! c'en est fait
Surtout de l'ironie et des lèvres pincées
Et des mots où l'esprit sans l'âme triomphait.

Arrière aussi les poings crispés et la colère
A propos des méchants et des sots rencontrés ;
Arrière la rancune abominable ! arrière
L'oubli qu'on cherche en des breuvages exécrés !

Car je veux, maintenant qu'un Être de lumière
A dans ma nuit profonde émis cette clarté
D'une amour à la fois immortelle et première,
De par la grâce, le sourire et la bonté,

Je veux, guidé par vous, beaux yeux aux flammes douces,
Par toi conduit, ô main où tremblera ma main,
Marcher droit, que ce soit par des sentiers de mousses
Ou que rocs et cailloux encombrent le chemin ;

Oui, je veux marcher droit et calme dans la Vie,
Vers le but où le sort dirigera mes pas,
Sans violence, sans remords et sans envie :
Ce sera le devoir heureux aux gais combats.

Et comme, pour bercer les lenteurs de la route,
Je chanterai des airs ingénus, je me dis
Qu'elle m'écoutera sans déplaisir sans doute ;
Et vraiment je ne veux pas d'autre Paradis.

 

Since Dawn Awoke...

Since dawn awoke and sunrise now is here,
Since having flown so long hope turns at last
And flies toward me who called through all the year;
Since all this joy is mine, and sorrow past, —

O let me now forget the bitter thought,
The evil dreams, be they forever gone.
The irony my scornful lips had caught,
The cruel words my spirit dwelt upon.

Away with fist tight-clenched and anger's sway
That rose against the fools we daily pass;
Away with spite abominable — away
Forgetfulness found in the fateful glass!

For 't is my wish — now that a Soul of light
Has in my night profound thrown its soft rays
Of early love, immortal as 'tis bright,
By favor of her smiles and graceful ways, —

It is my wish, such light her fair eye hath,
But to be led by her, what e'er forebodes;
To walk upright along the mossy path
When rocks and gravel strew the beaten roads.

I wish to walk straightforward now through Life,
My task in view, nor stepping once aside;
Without remorse or envy, without strife,
Nor fearing aught, with Her close at my side.

And I will sing my songs along the route —
To shorten the rough road they will suffice.
She, too, will listen, pleased without a doubt,
And truly this will be my Paradise.

(transl. Bergen Applegate)

 


  • B-12(5) Puisque l' aube grandit

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23

    A-34(3) dated on the last page gecomp. Juli 1909 / geinstrumenteerd. 5-19 Juli 1916 and with dedication A Mad. Julie Hekking

    • 1916-07-05 00:00:00.0 – 1916-07-19 00:00:00.0
    • dedication: A Mad. Julie Hekking
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 23

  • click to enlarge

    Anniversary Edition 3

    cd Et'cetera KTC 1435 CD3
    Residentie Orkest ♦ Vonk, Hans ♦ Bije, Annette de la ♦ Defraiteur, Renée ♦ Devos, Lode ♦ Hombert, Christoph ♦ Kruysen, Bernard ♦ Omroeporkest ♦ Radio Philharmonisch Orkest ♦ Promenade Orkest ♦ Berg, Maurits van den ♦ Otterloo, Willem van ♦ Silberman, Benedict

    Tracks: 1 = RC 84; 2 = RC 75; 3 = RC 92; 4 = RC 81; 5 = RC 80; 6 = RC 130; 7 = RC 59; 8 = RC 73; 9 = RC 60; 10 = RC 82; 11 = RC 83; 12 = RC 58

  • Trois mélodies pour une voix grave et orchestre

    1960 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds