english | nederlands

RC 90 Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

text source

Max Koch (ed.), Arnim, Klemens und Bettina Brentano, J. Görres (Stuttgart: Union Deutsche Verlagsgesellschaft [n.d.]), 158-159

first performance

1909-01-05 00:00:00.0 Den Haag, Diligentia

recordings

  • Anniversary Edition 5 Et'cetera KTC 1435 CD5

publications

  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 2 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds 7048538
  • Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”) Noske, A.A. 20436180
  • Diepenbrock Album T/S Vol. I

  • Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)
  • Brentano, Clemens
  • sopraan en piano
  • 1908-08-22 00:00:00.0 - 1908-09-11 00:00:00.0
  • duration ca. 5:30

Met Der Abend nam Diepenbrock in augustus 1908 opnieuw een gedicht ter hand van Clemens Brentano, de Duitse schrijver die hem van jongs af bekend was. De avondlijke atmosfeer, een terugkerend onderwerp in beider oeuvre, herinnert aan Brentano’s Der Spinnerin Nachtlied dat Diepenbrock tien jaar eerder had gecomponeerd voor de sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius onder de titel Lied der Spinnerin (RC 42). …more >

Der Abend (incipit)


Met Der Abend nam Diepenbrock in augustus 1908 opnieuw een gedicht ter hand van Clemens Brentano, de Duitse schrijver die hem van jongs af bekend was. De avondlijke atmosfeer, een terugkerend onderwerp in beider oeuvre, herinnert aan Brentano’s Der Spinnerin Nachtlied dat Diepenbrock tien jaar eerder had gecomponeerd voor de sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius onder de titel Lied der Spinnerin (RC 42).

In het geval van Der Abend heeft Diepenbrock niet onmiddellijk gekozen voor een zetting voor sopraan en piano. Aan dit opus gaan twee onvoltooide zettingen vooraf: voor vocaal kwartet (RC 88) en voor sopraan, alt en orgel (RC 89). Dezelfde dag waarop hij deze fragmenten noteerde, 22 augustus, begon Diepenbrock aan de versie für hoher Sopran und Clavier (voor hoge sopraan en piano). Hij voltooide het lied op 11 september.

In de correspondentie met zijn vriend W.G. Hondius van den Broek, eveneens een groot liefhebber van Brentano, is de ontstaansgeschiedenis te volgen. Op 5 september meldt Diepenbrock dat hij bezig is met Der Abend voor Solostem met begeleiding (orkest of piano). (BD VI:6) Kort na vastlegging van het lied in netschrift A-64(10) besluit hij Hondius de autograaf van Der Abend als geschenk toe te sturen. (Hieruit is te concluderen dat het afschrift A-84 voor Aaltje Noordewier-Reddingius inmiddels al moet zijn vervaardigd.) In de begeleidende brief van 20 september lezen we dat Diepenbrock aanvankelijk een ander begeleidingsinstrument heeft overwogen:

Ik heb dit eenigzins in de hoop gemaakt om het Noordewier op haar tournée met Verhey te laten zingen, omdat een handig organist het op ’t orgel kan spelen, en de lange pedalen, die de avondrust moeten weergeven nergens zoo goed te maken zijn als op een orgel. Maar hun programma’s waren al klaar.

Voor de vertolking van dit lied zag Diepenbrock de mogelijkheden van de piano als te beperkt:

Het Brentanolied zou om tot zijn recht te komen geïnstrumenteerd moeten worden, en is misschien dan toch weer misplaatst in een groote zaal met toebehooren. Pianisten kunnen dat heelemaal niet spelen.

Even stellig was hij over de ideale interpreet van dit lied: De eenige die ’t zingen kan is Noordewier. (BD VI:14)

Diepenbrock heeft enige veranderingen aangebracht in de tekst van Der Abend. De meest ingrijpende wijziging is het weglaten van het tweeregelige refrein, waarmee elk van de vijf coupletten van Brentano’s gedicht besluit.

Minder in het oog springend, maar des te wezenlijker is zijn aanpassing van de beginregels van de laatste strofe. In plaats van:

Treuer Gott, du bist nicht weit,
Und so ziehn wir ohne Harm
In die wilde Einsamkeit
Aus des Hofes eitelm Schwarm
.

noteert Diepenbrock:

Treuer Gott, du bist nicht weit,
Dir vertraun wir ohne Harm
In der wilden Einsamkeit
Wie in Hofes eitlem Schwarm.

Blijkbaar ervaart hij de eenzaamheid van het individu te midden van de aanmatigende mensenmassa als een permanent gegeven...

Woordschildering

Hondius van den Broek vond het lied verrukkelijk en schreef Diepenbrock in zijn bedankbrief: De schildering van den avond waarmee ’t begint treft terstond, dat is ’t. (BD VI:16) Daarmee doelde hij op het matenlange orgelpunt in de linkerhand met een rustig wiegende beweging in 12/8 in de rechterhand, ter voorbereiding van de inzet (zart und geheimnisvoll) van de zangstem. Voor het laten doorklinken van de pedaaltoon noteerde Diepenbrock als aanwijzing in een voetnoot: “N.B. Die Orgelpunktbässe so oft neu anschlagen als nötig, jedoch niemals auf gute Tacttheile.”

Veel levendiger zijn het tweede en vierde couplet, waarbij Diepenbrock de daarin respectievelijk beschreven vissen en vogels plastisch in zijn muziek heeft geschilderd. Vooral over het laatste couplet, waarin de zangstem plechtig (Feierlich), vol godsvertrouwen en op volle kracht de slotregels brengt, was Hondius van den Broek vol bewondering:

Prachtig is ’t slot van de 4de strophe: Gott der über alle wacht, maar ’t heerlijkste is dan de slotstrophe, zooals je daarin ’t Abendmotief verwerkt hebt en dat voert naar ’t hoogtepunt bij Sicher ruhn.

Zoals vermeld was de hoge sopraan die Diepenbrock bij het componeren van Der Abend in gedachten had, Aaltje Noordewier-Reddingius. Deze zangeres had in november 1906 niet alleen de solopartij in Diepenbrocks Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein” (RC 49) enkele malen vertolkt, ook had zij in die maand de première gegeven van de georkestreerde versie van het Lied der Spinnerin (RC 75). Der Abend hield zij ten doop tijdens haar recital van 5 januari 1909 in Den Haag in combinatie met nog drie liederen van Diepenbrock: Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (RC 41), Clair de lune (RC43) en, opnieuw, het Lied der Spinnerin (RC 42). Diepenbrock eerde Noordewier-Reddingius door Der Abend in de gedrukte uitgave van 1910 aan haar op te dragen.

De voorgenomen instrumentatie van Der Abend (RC 92) heeft Diepenbrock in april 1910 voltooid.

Désirée Staverman & Ton Braas

 



Der Abend

Wie so leis’ die Blätter wehn
In dem lieben, stillen Hain,
Sonne will schon schlafen gehn,
Läßt ihr goldnes Hemdelein
Sinken auf den grünen Rasen,
Wo die schlanken Hirsche grasen
In dem roten Abendschein.

In der Quellen klarer Flut
Treibt kein Fischlein mehr sein Spiel,
Jedes suchtet, wo es ruht,
Sein gewöhnlich Ort und Ziel,
Und entschlummert überm Lauschen
Auf der Wellen leises Rauschen
Zwischen bunten Kieseln kühl.

Schlank schaut auf der Felsenwand
Sich die Glockenblume um;
Denn verspätet über Land
Will ein Bienchen mit Gesumm
Sich zur Nachtherberge melden,
In den blauen, zarten Zelten,
Schlüpft hinein und wird ganz stumm.

Vöglein, euer schwaches Nest
Ist das Abendlied vollbracht
Wird wie eine Burg so fest.
Fromme Vöglein schützt zur Nacht
Gegen Katz und Marderkrallen,
Die im Schlaf sie überfallen,
Gott, der über alle wacht.

Treuer Gott, du bist nicht weit,
Dir vertraun wir ohne Harm
In der wilden Einsamkeit,
Wie in Hofes eitlem Schwarm.
Du wirst uns die Hütte bauen,
Daß wir fromm und voll Vertrauen
Sicher ruhn in deinem Arm.

 

The Evening

How softly the leaves blow
In the sweet and quiet grove,
The sun already seeks its rest
And lets its golden tunic
Sink onto the green lawns,
Where the slender deer graze
In the crimson evening light.

In the clear spring waters
The fish no longer play,
For all seek to rest
In their usual place,
Sleeping as they listen
To the soft murmur of the waves,
Cool between bright pebbles.

The slim campanula
Looks around on the cliffside.
A buzzing bee
Flies tardily around
In search of shelter for the night;
It slips into soft blue tents
And is completely silent.

Little birds, your flimsy nest
Is transformed by the song of the night
And becomes as strong as a fortress.
Pious little birds, may God who watches over all
Protect you at night
From the cats’ and martens’ claws
That might attack you whilst you sleep.

Faithful God, you are not far,
We trust in you and fear neither
The wild desert places
Nor the vain crowds at Court.
You will build a tabernacle for us,
That in pious trust
We may rest safe in your arms.

(transl. Peter Lockwood)

 

 

 


  • A-64(10) Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”), für hoher Sopran und Clavier

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7

    A-64(10) für hoher Sopran und Clavier dated on the last page 22 Aug – 11 Sept 1908 and with dedication on the first page Aan mijn vriend WG Hondius v/d Broek / A Diepenbrock 20 Sept 1908

    • 1908-08-22 00:00:00.0 – 1908-09-11 00:00:00.0
    • dedication: Aan mijn vriend WG Hondius v/d Broek / A Diepenbrock 20 Sept 1908
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 7
  • A-62(4) Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

    semi-autograph A-62(4) with dedication on the first page Voor mijn lieve vriendin Jo / herinnering aan de heerlijke Octoberdagen 1908 and dated on the last page Augustus 1908

    • 1908-08-22 00:00:00.0 – 1908-09-11 00:00:00.0
    • dedication: Voor mijn lieve vriendin Jo / herinnering aan de heerlijke Octoberdagen 1908 and dated on the last page Augustus 1908
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-84 Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

    semi-autograph A-84 from the possession of Aaltje Noordewier-Reddingius, dated on the last page 1908

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

  • click to enlarge

    Anniversary Edition 5

    cd Et'cetera KTC 1435 CD5
    Alexander, Roberta ♦ Jansen, Rudolf ♦ Nes, Jard van ♦ Holl, Robert ♦ Prégardien, Christoph ♦ Pfeiler, Christa ♦ Doeselaar, Leo van ♦ McFadden, Claron ♦ Kuyken, David

    Tracks: 1 = RC 3; 2 = RC 6; 3 = RC 11; 4 = RC 12; 5 = RC 16; 6 = RC 20; 7 = RC 25; 8 = RC 42; 9 = RC 55; 10 = RC 121; 11 = RC 90; 12 = RC 95; 13 = RC 91

  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 2

    1993 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds Staverman, Désirée
  • Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

    1910 Noske, A.A.
  • Diepenbrock Album T/S Vol. I

    1951 Reeser, Eduard

5 jan 1909 Eerste uitvoering van Der Abend in Diligentia te 's-Gravenhage door Aaltje Noordewier-Reddingius en Julius Röntgen. Van Diepenbrock worden ook uitgevoerd Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (RC 41), Clair de lune (RC 43) en Lied der Spinnerin (RC 42), voorts vier liederen van Hugo Wolf en vijf van Gustav Mahler. Diepenbrock woont het concert bij.

Diepenbrock vordert veel en gaat bijzondere wegen; niet overal kan men hem aanstonds volgen. Niet overal gevoel ik mij in sympathie met hem. Van Clair de lune (Verlaine) bewonder ik meer de kleur dan de gedachten; in het Lied der Spinnerin (Brentano) komt de muziek, hoe bekoorlijk ook van klank, mij voor de stof niet eenvoudig genoeg voor; in Sonnet (K. Alberdingk Thijm) en in Der Abend (Brentano) mis ik eenheid van stemming. Is die poging tot schildering in couplet 4 van Der Abend niet wat kinderachtig? Mevr. Noordewier zong de twee eerste vooral schier volmaakt, echt poëtisch.

Het Vaderland ([Dr. J. de Jong]), 6 januari 1909

pdf All reviews for RC 90 Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)