english | nederlands

RC 92 Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

text source

Max Koch (ed.), Arnim, Klemens und Bettina Brentano, J. Görres (Stuttgart: Union Deutsche Verlagsgesellschaft [n.d.]), 158-159

first performance

1910-04-14 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw

recordings

  • Anniversary Edition 3 Et'cetera KTC 1435 CD3

publications

  • Drei Lieder für eine Sopranstimme und Orchester Donemus/ADF 8344309

  • Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)
  • Brentano, Clemens
  • sopraan en orkest
  • 1908-11-01 00:00:00.0 - 1908-11-19 00:00:00.0 | revised 1910-04-01 00:00:00.0 - 1910-04-04 00:00:00.0
  • duration ca. 5:30

De georkestreerde versie van Diepenbrocks lied Der Abend klonk voor het eerst op 14 april 1910 tijdens een door de componist gedirigeerd abonnementsconcert in het Amsterdamse Concertgebouw. Vóór de pauze leidde Diepenbrock het Concertgebouworkest in de Vierde symfonie van Gustav Mahler, na de pauze was het programma geheel gewijd aan zijn eigen werk. Aaltje Noordewier-Reddingius soleerde zowel in Der Abend als in het Lied der Spinnerin (RC 42) en in de Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein” (RC 49). Daarnaast werd de Hymne voor viool en orkest (RC 44) uitgevoerd. Voor deze gelegenheid had Diepenbrock behalve de instrumentatie van de Hymne an die Nacht ook de oorspronkelijke van Der Abend herzien. …more >

Der Abend (incipit)


De georkestreerde versie van Diepenbrocks lied Der Abend klonk voor het eerst op 14 april 1910 tijdens een door de componist gedirigeerd abonnementsconcert in het Amsterdamse Concertgebouw. Vóór de pauze leidde Diepenbrock het Concertgebouworkest in de Vierde symfonie van Gustav Mahler, na de pauze was het programma geheel gewijd aan zijn eigen werk. Aaltje Noordewier-Reddingius soleerde zowel in Der Abend als in het Lied der Spinnerin (RC 42) en in de Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein” (RC 49). Daarnaast werd de Hymne voor viool en orkest (RC 44) uitgevoerd. Voor deze gelegenheid had Diepenbrock behalve de instrumentatie van de Hymne an die Nacht ook de oorspronkelijke van Der Abend herzien.

Al op 20 september 1908, kort na het voltooien van Der Abend in de versie met piano (RC 90), schreef Diepenbrock dat het lied om tot zijn recht te komen geïnstrumenteerd zou moeten worden. (BD VI:14) Dit voornemen – waarvan enige instrumentaanduidingen in autograaf A-64(10) reeds blijk geven – wordt in de loop van het najaar van 1908 gerealiseerd. In een brief van eind oktober aan Johanna Jongkindt, aan wie Diepenbrock een afschrift van het lied heeft gestuurd, laat hij weten:

Ik ben nu bezig der Abend te instrumenteeren. Vind je ’t niet moeilijk te spelen? Het is voor wat men een ‘pianist’ noemt onmogelijk, geloof ik. Daarom is het orkest het eenige, al is er ook niet veel kans dat ik het ooit of voorloopig zal hooren. (BD VI:34)

Anderhalf later bleek deze inschatting dus onjuist.

Bij de herziening van de instrumentatie van Der Abend heeft Diepenbrock veel weggeradeerd met de bedoeling de partituur transparanter te maken. Van invloed daarbij zal niet alleen geweest zijn dat hij zich in deze periode intensief bezig hield met het symfonische en vocale werk van de door hem bewonderde Mahler (Ik heb nu alle liederen van Gustaaf, en sta steeds meer verbaasd over zijn reuzengenie, schreef hij op 29 maart 1910), maar ook met de muziek van Claude Debussy. Zo had Diepenbrock voor eigen studiegebruik in 1909 een pianouittreksel gemaakt van Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune en schafte hij in januari 1910 de partituur aan van Pelléas et Mélisande.

Voor Der Abend is een uitgebreide blazersbezetting voorgeschreven: naast het door Diepenbrock graag gebruikte duo van oboe d’amore en althobo onder meer 2 klarinetten, basklarinet en 4 hoorns, met een breed scala aan klankkleuren als resultaat. De hoorns heffen het openingsmotief aan, waarbij de contrabassen het orgelpunt versterken. De houtblazers zijn veelal solistisch ingezet, maar in het tussenspel na het derde couplet (Più vivace, agitato molto) bundelen zij juist hun krachten. Na het verstilde einde van dat couplet (bij “ganz stumm”) laat Diepenbrock in de vier maten die volgen de dynamiek collectief aanzwellen tot fff, daarmee een veel groter contrast met het voorgaande gedeelte genererend dan in de versie met piano. De klank wordt nog geïntensiveerd door de klarinetten te laten spelen met Schalltrichter auf – een effect dat hij aan Mahler ontleende.

Het concert van 14 april 1910 was niet alleen voor Diepenbrock zelf een grote gebeurtenis, ook in de pers is er uitvoerig aandacht aan besteed. Het feit dat een aantal recensenten tot de bevinding kwam dat van de georkestreerde liederen het Lied der Spinnerin te prefereren was boven Der Abend, stelde Diepenbrock teleur; het verbaasde hem dat in de De Tijd gesproken werd van een “geforceerde vertolking van den tekst” en van een voelbare contraditie tusschen woord en toon. (BD VI:252)

In februari 1915 werd Der Abend opnieuw uitgevoerd door het Concertgebouworkest, ditmaal onder leiding van Willem Mengelberg met de gerenommeerde Duitse sopraan Gertrud Förstel als solist. Diverse recensenten waren na dit concert meer onder de indruk van Diepenbrocks lied dan van Gustav Mahlers Wo die schönen Trompeten blasen en Wer hat dies Liedlein erdacht, die eveneens op het programma stonden. In de woorden van Matthijs Vermeulen:

Er was een te groot contrast tusschen Diepenbrock en Mahler, om eene vergelijking te maken en slechts ter loops kunnen wij zeggen, dat Der Abend ons aangrijpender klonk. Het orchest-tusschenspel vóór “Vöglein euer schwaches Nest” is een meesterwerk en zulke universeele stemmingsbeelden, die in weinige maten een geheele actie exposeeren (hier eene zeer dramatische) bevat géén der liederen van Mahler, zelfs niet de Kindertotenlieder, wijl zij gecomponeerd zijn van een uitsluitend persoonlijk standpunt. (BD VIII:719)

Désirée Staverman



Der Abend

Wie so leis’ die Blätter wehn
In dem lieben, stillen Hain,
Sonne will schon schlafen gehn,
Läßt ihr goldnes Hemdelein
Sinken auf den grünen Rasen,
Wo die schlanken Hirsche grasen
In dem roten Abendschein.

In der Quellen klarer Flut
Treibt kein Fischlein mehr sein Spiel,
Jedes suchtet, wo es ruht,
Sein gewöhnlich Ort und Ziel,
Und entschlummert überm Lauschen
Auf der Wellen leises Rauschen
Zwischen bunten Kieseln kühl.

Schlank schaut auf der Felsenwand
Sich die Glockenblume um;
Denn verspätet über Land
Will ein Bienchen mit Gesumm
Sich zur Nachtherberge melden,
In den blauen, zarten Zelten,
Schlüpft hinein und wird ganz stumm.

Vöglein, euer schwaches Nest
Ist das Abendlied vollbracht
Wird wie eine Burg so fest.
Fromme Vöglein schützt zur Nacht
Gegen Katz und Marderkrallen,
Die im Schlaf sie überfallen,
Gott, der über alle wacht.

Treuer Gott, du bist nicht weit,
Dir vertraun wir ohne Harm
In der wilden Einsamkeit,
Wie in Hofes eitlem Schwarm.
Du wirst uns die Hütte bauen,
Daß wir fromm und voll Vertrauen
Sicher ruhn in deinem Arm.

 

The Evening

How softly the leaves blow
In the sweet and quiet grove,
The sun already seeks its rest
And lets its golden tunic
Sink onto the green lawns,
Where the slender deer graze
In the crimson evening light.

In the clear spring waters
The fish no longer play,
For all seek to rest
In their usual place,
Sleeping as they listen
To the soft murmur of the waves,
Cool between bright pebbles.

The slim campanula
Looks around on the cliffside.
A buzzing bee
Flies tardily around
In search of shelter for the night;
It slips into soft blue tents
And is completely silent.

Little birds, your flimsy nest
Is transformed by the song of the night
And becomes as strong as a fortress.
Pious little birds, may God who watches over all
Protect you at night
From the cats’ and martens’ claws
That might attack you whilst you sleep.

Faithful God, you are not far,
We trust in you and fear neither
The wild desert places
Nor the vain crowds at Court.
You will build a tabernacle for us,
That in pious trust
We may rest safe in your arms.

(transl. Peter Lockwood)

 

 

 


  • A-63(2) Der abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4

    A-63(2) dated on the last page gecomp Aug 1908, geinstr. 1. Nov 19 Nov. 1908 / herzien 1-4 April 1910.

    • 1908-11-01 00:00:00.0 – 1910-04-04 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 4

  • click to enlarge

    Anniversary Edition 3

    cd Et'cetera KTC 1435 CD3
    Residentie Orkest ♦ Vonk, Hans ♦ Bije, Annette de la ♦ Defraiteur, Renée ♦ Devos, Lode ♦ Hombert, Christoph ♦ Kruysen, Bernard ♦ Omroeporkest ♦ Radio Philharmonisch Orkest ♦ Promenade Orkest ♦ Berg, Maurits van den ♦ Otterloo, Willem van ♦ Silberman, Benedict

    Tracks: 1 = RC 84; 2 = RC 75; 3 = RC 92; 4 = RC 81; 5 = RC 80; 6 = RC 130; 7 = RC 59; 8 = RC 73; 9 = RC 60; 10 = RC 82; 11 = RC 83; 12 = RC 58

  • Drei Lieder für eine Sopranstimme und Orchester

    1954 Donemus/ADF

14 apr 1910: Diepenbrock treedt op als gastdirigent op het abonnementsconcert. Het programma vermeldt voor de pauze de Vierde Symfonie van Mahler, na de pauze composities van Diepenbrock, en wel Lied der Spinnerin en Der Abend (eerste uitvoering), gezongen door Aaltje Noordewier-Reddingius, de Hymne voor viool en orkest, gespeeld door Julius Thornberg (eerste uitvoering) en de Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein” (soliste Aaltje Noordewier-Reddingius).

De heer Diepenbrock was gisteravond de dirigent. […] Mevrouw Noordewier en het orkest met zijn dirigent oogstten na de symphonie aller dank, maar de tweede helft van den avond bracht een groot en warm succes aan Diepenbrock, den toondichter: als componist van kleinere liederen, de Hymne voor viool en een der beide groote Hymnen an die Nacht (“Gehoben ist der Stein”) (Novalis); Brentano's Lied der Spinnerin, in de uiterst fijne en stemmingsvolle orkestratie, werd gevolgd door een ander lied van Brentano, Der Abend, waarin eveneens de suggestieve kracht der zelfstandige instrumentale stemmen naast den zang den indruk niet weinig verhoogde. […] Mevrouw Noordewier en het orkest zijn naar verdiensten gehuldigd, en Diepenbrock zelf kreeg een ovatie van langen duur en groote hartelijkheid!

Algemeen Handelsblad (S.Z. [= W.N.F. Sibmacher Zijnen], 15 april 1910

pdf All reviews for RC 92 Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)