english | nederlands

RC 29 Canticum “O Jesu ego amo te”

first performance

1898-04-30 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw

publications

  • Canticum voor sopraan en orgel (1916 version) Donemus/ADF 25899911
  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 8 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds 6060371
  • Diepenbrock Album B/M Vol. II
  • Diepenbrock Album T/S Vol. II
  • O Jesu ego amo te Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 15628405

  • Canticum “O Jesu ego amo te”
  • Xaverius, Franciscus (Francis Xavier)
  • sopraan en piano // sopraan en orgel
  • 1893-03-13 00:00:00.0 | revised 1916-01-01 00:00:00.0 - 1916-12-31 00:00:00.0
  • duration 4:00

In De Nieuwe Gids van januari 1893 publiceerde Alphons Diepenbrock een bespreking d.d. 13 december 1892 van Le Latin mystique van Remy de Gourmont.1 Als reactie hierop schreef Frans Erens in het februari-nummer een kritisch artikel2 waarin hij het Latijnse gedicht O Jesu ego amo te liet afdrukken. Dat Diepenbrock deze hymne binnen een maand na de publicatie ervan op muziek zette, is tekenend voor de gretigheid waarmee hij geestelijke poëzie tot zich nam. Diepenbrock putte voor de tekst van zijn Canticum echter uit een andere, tot nu toe niet getraceerde bron. …more >

Canticum (incipit)


In De Nieuwe Gids van januari 1893 publiceerde Alphons Diepenbrock een bespreking d.d. 13 december 1892 van Le Latin mystique van Remy de Gourmont.1 Als reactie hierop schreef Frans Erens in het februari-nummer een kritisch artikel2 waarin hij het Latijnse gedicht O Jesu ego amo te liet afdrukken. Dat Diepenbrock deze hymne binnen een maand na de publicatie ervan op muziek zette, is tekenend voor de gretigheid waarmee hij geestelijke poëzie tot zich nam. Diepenbrock putte voor de tekst van zijn Canticum echter uit een andere, tot nu toe niet getraceerde bron.

Het gedicht wordt toegeschreven aan Franciscus Xaverius (1506-1552), medestichter van de orde der Jezuïeten en als missionaris wegbereider van de verbreiding van het Christendom in India, Japan en China. De oorsprong is echter omgeven met mysteries. Mogelijk is de tekst een bewerking van het Spaanse sonnet No me mueve, mi Dios para quererte. Het kan ook zijn dat Franciscus Xaverius, afkomstig uit Navarra, de auteur was van het oorspronkelijke Spaanse gedicht, zoals in het door Melchior von Diepenbrock uitgegeven Geistlicher Blumenstrauss wordt gesuggereerd.3 De Latijnse versie zou in dat geval een vertaling kunnen zijn van een Duitse bewerking van No me mueve. Ook Theresa van Avila (1515-1582) wordt genoemd als mogelijke auteur van dit sonnet.4

De tekst is opgebouwd uit vier kwatrijnen en één kwintijn (strofe 4). De melodie van het eerste kwatrijn wordt (in mindere of meerdere mate gevarieerd) tevens toegepast in de tweede, vierde en laatste strofe. Dit verleent de compositie een hymnisch karakter. Opvallend in de tussenliggende derde strofe is dat zowel de tekst als de muziek van de eerste tweeënhalve regel worden herhaald. De expansieve melodie van dit gedeelte, waarin de ik-figuur spreekt over de “innumeros dolores, sudores et angores et mortem” (ontelbaar veel pijnen, angsten, kou en de dood) die Christus voor ieder van ons heeft ondergaan, vormt een contrast binnen het werk.

In een latere brief aan Charles Smulders vergeleek Diepenbrock de tekst van Clair de lune (RC 43) met die van het Canticum. Hij schreef dat deze poëzie een zekere monotonie vereist, waardoorheen een verlangen spreekt, of beter een hartstochtelijke en diepe – maar voortdurende – passie (“une certaine monotonie par laquelle se traduit une langueur, ou bien une passion ardente et profonde mais contenue”). (BD III:81) De verwezenlijking hiervan zocht Diepenbrock in een eenvoudige melodie met steunpunten op de tonica en de dominant, zoals in het gregoriaans gebruikelijk is.

Diepenbrock componeerde O Jesu ego amo te (voltooid op 13 maart 1893) met de stem van sopraan Aaltje Reddingius (1868-1949) in gedachten en droeg het werk aan haar op. Hij moet haar hebben horen zingen in het Amsterdamsch a Cappela-Koor van Daniël de Lange, waarvan zij sinds 1891 lid was. In juli 1893 huwde zij met de classicus en kunstschilder Michiel Noordewier (1868-1942) die deel uitmaakte van Diepenbrocks kennissenkring.

Vijf jaar later ging het Canticum in première tijdens het concert dat Aaltje Noordewier-Reddingius en Anton Tierie op 30 april 1898 gaven in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Daar hielden zij nog zes andere liederen van Diepenbrock ten doop (zie RC 20, 23, 37, 40, 41 en 42).

Op autograaf A-41(3) had Diepenbrock “Cantiones mysticae (III.)” genoteerd. Hiermee gaf hij de religieus-mystieke verwantschap aan tussen dit Canticum en de eerder gecomponeerde werken Ave Maria (RC 23) en Jesu dulcis memoria (RC 24). Waarschijnlijk heeft Diepenbrock O Jesu ego amo te, in tegenstelling tot beide andere werken, aanvankelijk van een pianopartij voorzien en dateert de versie met orgelbegeleiding uit 1916, toen Diepenbrock de compositie bewerkte met het oog op uitvoering door Aaltje Noordewier-Reddingius en Anton Tierie tijdens een concert op 19 november 1916 in de Nieuwe Lutherse of Koepelkerk te Amsterdam. In de orgelpartij wordt de vierstemmige textuur consequenter doorgevoerd en zijn enkele ritmisch herhaalde akkoorden vervangen door lange noten.

Diepenbrock deed Leonie Molkenboer, dochter van de bevriende schilder, graficus en ontwerper Theo Molkenboer (1871-1920), een afschrift cadeau van het Canticum, toen ze op 16 mei 1920 intrad in de Benedictijner orde, na aanvankelijk een zangcarrière te hebben geambieerd. Dit manuscript, door Reeser beschreven in MHD (1933), is echter verloren gegaan.

Robert Spannenberg

1 Alphons Diepenbrock, ‘Remy de Gourmont: Le Latin Mystique’, in De Nieuwe Gids 8/2 (januari 1893), 263-274. Zie VG, 46-54.

2 Frans Erens, ‘Le Latin Mystique’, in De Nieuwe Gids 8/3 (februari 1893), 422-424.

3 Melchior von Diepenbrock, Geistlicher Blumenstrauss aus christlichen Dichter-Gärten, den Freunden heiliger Poesie (Sulzbach: Geidel 1862), 226.

4 John Julian (ed.), A Dictionary of Hymnology Vol. I, A to O (Dover: New York 1957 = herdruk van de tweede editie uit 1907), 921ff.

 



O Jesu ego amo te
Nec amo te ut salves me
Aut quia non amantes te
Aeterno punis igene.

Tu, tu mi Jesu totum me
Amplexus es in cruce,
Tulisti clavos, lanceam
Multamque ignominiam,

Innumeros dolores,
Sudores et algores
Et mortem et haec propter me
Et pro me peccatore.

Cur igitur non amem te
Mi Jesu amantissime,
Non ne aeternum damnes me
Nec ut in caelo salves me
Nec praemii ullius spe.

Sed sicut tu amasti me
Sic amo et amabo te,
Solum quia Rex meus es
Et solum quia Deus es.

 

 


  • A-41(3) Cantiones Mysticae (III.) / Canticum St Fr Xaverii composuit A Diepenbrock

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4

    A-41(3) for soprano and piano in C♯ minor, with dedication and dated on the first page Cantiones Mysticae (III.) / Canticum St Fr Xaverii composuit A Diepenbrock / Gecomponeerd voor Aaltje Reddingius Maart 1893 and dated on the last page sHertogenbosch 13 Maart 1893 Nieuwer Amstel / 28. Febr. 1896

    • 1898-03-13 00:00:00.0 – 1896-02-28 00:00:00.0
    • dedication: Gecomponeerd voor Aaltje Reddingius Maart 1893
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 4
  • A-4(7) for soprano and piano in C♯ minor

    semi-autograph A-4(7) for soprano and piano in C♯ minor, dated on the last page 13 Maart 1893

    • 1893-03-13 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-6(13) for soprano and organ in C minor

    A-6(13) for soprano and organ in C minor, owned by Aaltje Noordewier-Reddingius

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-87 for soprano and organ in C♯ minor

    copy A-87 for soprano and organ in C♯ minor

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • SO-1 for soprano and piano in C minor,

    lost autograph for soprano and piano in C minor, with dedication on the outer leaf In hartelijke genegenheid aan Zuster Scholastica Molkenboer op den dag harer intrede in de orde van St. Benedictus, 16 Mei 1920 and with date on the last page A. Diepenbrock (1893)

    • 1893-01-01 00:00:00.0 – 1893-12-31 00:00:00.0
    • dedication: In hartelijke genegenheid aan Zuster Scholastica Molkenboer op den dag harer intrede in de orde van St. Benedictus, 16 Mei 1920
    • pages: unknown

  • Canticum voor sopraan en orgel (1916 version)

    1971 Donemus/ADF
  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 8

    1997 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds Krouwel, Dinant
  • Diepenbrock Album B/M Vol. II

    1955 Reeser, Eduard
  • Diepenbrock Album T/S Vol. II

    1960 Reeser, Eduard
  • O Jesu ego amo te

    1932 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)

30 apr 1898 Eerste uitvoering van Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (RC 41), Écoutez la chanson bien douce (RC 40), Die Liebende schreibt (RC 20), Hinüber wall' ich (RC 37), Lied der Spinnerin (RC 42), Ave Maria (RC 23) en Canticum “O Jesu ego amo te” (RC 29) door Aaltje Noordewier-Reddingius met begeleiding van Anton Tierie tijdens een soiree in de Kleine Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam, waarbij Josephine Royaards-Spoor gedichten van Willem Kloos, H.J. Boeken, Bredero en Vondel voordraagt.

Over de beteekenis van de dichtwerken mag ik, als musicus, het zwijgen bewaren; trouwens er kwamen onder de voorgedragen geen voor over wier meer of minder sympathiewekkende eigenschappen men niet reeds een geruimen tijd een gevoelen heeft hooren uitspreken. Men mag daarom m.i. gerust het zwaartepunt van dezen avond zoeken in het muzikale gedeelte. De compositiën van Diepenbrock toch zijn zoo goed als geheel en al onbekend. Wel is de mis voor mannenstemmen en orgel in druk verschenen, wel zijn de Reijen voor v. d. Vondel's Gysbrecht van Aemstel Woensdag ll. uitgevoerd, wel werd ook het Stabat mater ten gehoore gebracht, maar zelfs deze werken zijn daardoor nog niet als bekend te beschouwen. En van de liederen voor een stem zijn, met uitzondering van een paar uit vroeger tijden, geen in druk verschenen en ook niet in 't openbaar ten gehoore gebracht. Men kan dus zeggen, dat wij in Diepenbrock een nieuwe verschijning mogen begroeten. Maar niet alleen omdat zijne werken nog weinig bekend zijn, moet men Diepenbrock een nieuwe verschijning noemen; neen, ook de wijze, waarop hij der tonen kunst beoefent, mag men als op zichzelf staande beschouwen. Wij hebben dus met een nieuwe verschijning, in den absoluten zin van het woord, te doen.

Het Nieuws van den Dag (Dan. de Lange), 1 mei 1898

pdf All reviews for RC 29 Canticum “O Jesu ego amo te”