english | nederlands

RC 51 Zij sluimert (“Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen”)

text source

Gedichten van Jacques Perk. Met voorrede van Mr. C. Vosmaer en inleiding van Willem Kloos (Sneek: H. Pijttersen Tz 1882), 76

first performance

1906-10-22 00:00:00.0 Zwolle

dedicatees

publications

  • Diepenbrock Album T/S Vol. I
  • Vier Sonetten Noske, A.A. 33181313

  • Zij sluimert (“Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen”)
  • Perk, Jacques
  • tenor and piano
  • 1900-03-27 00:00:00.0
  • duration ca. 5:00

In the course of 1900 Diepenbrock’s Hymne voor viool en piano (Hymn for Violin and Piano, RC 48) and the two symphonic Novalis songs Gehoben ist der Stein (Uplifted is the Stone, RC 49) and Muss immer der Morgen wiederkommen (Must the Morning Always Return, RC 50) were premiered. However, Diepenbrock only added one composition to his oeuvre that year: Zij sluimert (She Slumbers) for tenor and piano on a sonnet by Jacques Perk. …more >

Zij sluimert (incipit)


In the course of 1900 Diepenbrock’s Hymne voor viool en piano (Hymn for Violin and Piano, RC 48) and the two symphonic Novalis songs Gehoben ist der Stein (Uplifted is the Stone, RC 49) and Muss immer der Morgen wiederkommen (Must the Morning Always Return, RC 50) were premiered. However, Diepenbrock only added one composition to his oeuvre that year: Zij sluimert (She Slumbers) for tenor and piano on a sonnet by Jacques Perk.

Zij sluimert is the second poem by Perk that Diepenbrock set to music, fifteen years after Avondzang (Evening Song, 1885, RC 13). A letter to Hondius van den Broek from December 1906 shows us how much Diepenbrock admired Perk, whom he rated higher than the Dutch poets Herman Gorter and Willem Kloos:

Indeed, in my eyes Perk is the only Dutch poet. For me his Sonnets have something universal that I do not even find in “Mei”. (May by Herman Gorter) […] Compared to Perk, Kloos is what the rhetorician Schiller is to Goethe (to me). I hope I will some day manage to put together a cycle of Sonnets by Perk and turn them into one work for voice and orchestra. I have had plans for Zij sluimert for 15 years. What a great “Beethovenish” Intermezzo one could make in between those love songs of “the viol sings where ... and ivy vines”.1 (BD V:275-276)

The theme of Zij sluimert is mortality. With closed eyes the lover is resting in the woods, under a cover of green shadows. Thoughts go through her mind that make her softly sigh and smile. But in that slumber the poet suddenly sees a premonition of death: the lover will not wake up again and will never open her eyes; no ray of sun or birdsong will be able to wake her.

Diepenbrock symbolises the morbid turn of the poem by the transformation of a motive that is first played dolce by the right hand of the piano at the word "oogen" in the third line of the second quatrain (mm. 28-29) and that in the two tercets frequently comes to the fore in the piano accompaniment, increasingly threatening when it is played three times consecutively in the bass register (mm. 44-47).

In a letter to Charles Smulders from 6 June 1900 Diepenbrock said this composition was a mere trifle compared to the Novalis Hymnen. (BD III:216) However, two years later he confided to J.C. Hol: To a certain extent I consider Zij sluimert my best song. He ends the disclosure, in which Christus is opgestanden (Christ Has Risen, RC 57) is also mentioned, with one short sentence: Both of these things are alive and have depth. (BD IV:49) In his next letter to Hol, Diepenbrock explained what the two pieces meant to him: music that can cheer me op at bad moments. (BD IV:60)

Similar statements can also be found in Elisabeth Diepenbrock’s diary entry of 26 March 1906:

Yesterday evening Fons played Novalis’ Abendmahlshymne (Hymn of the Last Supper) to Lien and then Perk’s Sonnet: Zij sluimert. He considers this his best song and explained how the Life motive, entering for the first time at “Straks opent zij haar oogen” (Soon she will open her eyes), transforms through thematic changes into a Death motive. “This general symbolism has become possible thanks to Wagner,” he says. (BD V:117)

Diepenbrock orchestrated Perk’s Avondzang (RC 59) and Zij sluimert (RC 60) in 1903. However, the idea of a cycle never reached fruition.

Robert Spannenberg

1 Diepenbrock is clearly quoting Perk’s sonnet Dorpsdans (Village Dance, also from the cycle Mathilde) off by heart, as the beginning of the poem is: “The viol sings, where the rose and vines of the woodbine / amorously embrace the farmer’s house.”

 



Zij sluimert

Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen
Dien arm, dien mos en lokken beide streelen.
Een sprei van groene schaduw, zacht bewogen,
Daalt uit zilver-loovers der abeelen;

Zij ademt zuchten, en zij lacht, als togen
Er droomen door heur ziel, die vroolijk spelen:
O zoete hoop! Straks opent zij heur oogen,
Straks zal de hemel nieuwe heemlen telen:

Slaap zacht! Ik zie den donkren nacht genaken,
Dat gij Uw oog voor eeuwig houdt geloken, –
Dan sluimert gij, maar kunt niet meer ontwaken:

Dan zal de zode, die gij dekt, ú dekken,
Dan zal geen zonnestraal uw lippen strooken,
Geen lied van ’t woud u uit dien sluimer wekken. –

 

She lies to rest

Beneath the tender moss she lies to rest
And with her bended arm calls a caress.
A coverlet of shadowed green, on breeze’s breath
Through silver leaves of poplar’s sweet largesse.

She breathes in little sighs and flitting smiles
As dreams go wafting through her soul and play;
O sweetest hope!  Her eyes will surely open,
And soon the heavens count more heavenly days.

Sleep soft! I see the dark of night o’ertaking
It comes to shut your eyes forever still
And then you’ll slumber, nevermore awaking.

Then shall the sod grow into solid cover
No gentle sunlight kiss your lips’ red rill,
No forest song awaken you, now not ever.

(transl. Ruth van Baak Griffioen)

 


 


  • A-64(8)

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6

    A-64(8) dated on the last page A D 10 Maart 1900 and with dedication on the title page Aan mijn waarde vriend Johannes Hol / ter herinnering aan het Vaderland op St Nicolaasavond 1902

    • 1900-03-10 00:00:00.0
    • dedication: Aan mijn waarde vriend Johannes Hol / ter herinnering aan het Vaderland op St Nicolaasavond 1902
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 6
  • A-48(2)

    semi-autograph A-48(2) dated on the last page 10 Maart 1900

    • 1900-03-10 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-64(7)

    A-64(7) dated on the last page A D. 27 Maart 1900

    • 1900-03-27 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-80(15)*

    unfinished copy A-80(15) in the key of F major

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-80(16)

    semi-autograph A-80(16) used by Noske as Druckvorlage, dated (1900), with dedication on the first page Aan mijn vriend Willem Mengelberg and mentioning Deutsche Übersetzung von F du Pré

    • dedication: Aan mijn vriend Willem Mengelberg
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-3(1)

    copy B-3(1) made by W.G. Hondius van den Broek

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

  • Diepenbrock Album T/S Vol. I

    1951 Reeser, Eduard
  • Vier Sonetten

    1905 Noske, A.A.

6 okt 1905 De uitgever A.A. Noske te Middelburg laat de volgende werken van Diepenbrock in druk verschijnen: de Hymne voor viool en piano (RC 44) en de liederen De klare dag (RC 4), Avondzang (RC 13), Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (RC 41), Zij sluimert (RC 51), Kann ich im Busen heisse Wünsche trage (RC 55), Die Liebende schreibt (RC 20), Hinüber wall' ich (RC 37), Lied der Spinnerin (RC 42), Es war ein alter König (RC 25), Clair de lune (RC 43), Écoutez la chanson bien douce (RC 40).

Nu we hier nog onder den indruk zijn van de uitvoeringen van Diepenbrock's Te Deum, onder de uitnemende leiding van Verhey, door den componist zelf geprezen, is het oogenblik uitermate geschikt om melding te maken van de liederen van Diepenbrock, die, dank zij de zorgen van de heer Noske, onlangs het licht zagen. 't Zijn er niet minder dan elf, gecomponeerd tusschen de jaren 1884 en 1902, en daarvan hebben wij er eenige reeds in de concertzaal hooren zingen: hoe gelukkig zijn we nu in het bezit! — Deze zangen verdienen rustig en bij herhaling beschouwd en gehoord te worden, opdat men ze in hun volle, rijke beteekenis waardeeren zal. Dan ziet men eerst recht goed in, hoe Diepenbrock, naar Hol's zoo juiste opmerking, tot het innerlijk sentiment, tot de latente muziek van het gedicht doordrong en hieraan vasten, muzikalen vorm gaf. Dan begrijpen we dat de componist zelf in zeer nauwe betrekking tot den dichter moet staan, om zoó innig zijn denken en voelen in zang met klavierstem te doen leven. Want zelden of nooit gaf hij muziek bij de woorden van het gedicht, maar altijd deed hij haar leiden door, voortkomen uit, steun en verklaring en verdieping geven aan de melodie der taal. — Dicht onzer eigen poëeten: Jacques Perk, Van Deyssel, Van Eeden; dicht van Goethe en Heine, Novalis en Brentano; poëzie van Paul Verlaine. — Sommige, misschien de meeste, zijn in 't openbaar al eens voorgedragen, zeide ik. Mevrouw Noordewier heeft vroeger de haar opgedragen liederen geïntroduceerd, en in dit jaar en dit seizoen kwamen mevrouw Lütkemann en mevrouw De Haan-Manifarges op haar beider liederenavonden, ook de heer Zalsman, met de voordracht van Diepenbrock's liederen ons verblijden. Van laatstgenoemden zanger hoorden we Heine's ballade Es war ein alter König; van mevrouw Lütkemann Van Deyssel's sonnet lk ben in eenzaamheid niet meer alleen en Verlaine's Clair de lune, dat, nu we de compositie vóór ons hebben, te meer bewonderen voor het in-dringen in geest en stemming der poëzie opwekt. De stemming van het sonnet, is die niet tot in bijzonderheden, zonder dat de hoofdgedachte 'n oogenblik uit de ziel van den hoorder gaat, getroffen? Drie sonnetten zijn geschreven voor tenor-stem: De klare dag van Van Eeden, uit Perk's Mathilde: Avondzang en Zij sluimert, en ook zij boeien ons door de uiterst fijne opvatting, de overtuigende declamatie der zangstem met en door de schilderende, typeerende klavierstem heen, ook door de zoo veelzeggende voor- en naspelen. Er moet een artiest aan de piano zitten, die de polyphonie klaar en heerlijk weet te doen spreken, die de kunst van zeer zacht, ingehouden klankenspel en zorgzaam uit te voeren rubato volkomen meester is; we denken, wat dit laatste betreft aan het volkslied-achtige Lied der Spinnerin (Brentano), dat aan mevrouw Noordewier is opgedragen.

Nieuwe Rotterdamsche Courant ([W.N.F. Sibmacher Zijnen]), 6 december 1905

pdf All reviews for RC 51 Zij sluimert (“Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen”)