english | nederlands

RC 60 Zij sluimert (“Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen”)

text source

Gedichten van Jacques Perk. Met voorrede van Mr. C. Vosmaer en inleiding van Willem Kloos (Sneek: H. Pijttersen Tz 1882), 76

first performance

1906-11-22 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw

dedicatees

recordings

  • Anniversary Edition 3 Et'cetera KTC 1435 CD3

publications

  • Drie sonnetten voor tenor of sopraan en orkest Donemus/ADF 32434568

  • Zij sluimert (“Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen”)
  • Perk, Jacques
  • tenor and orchestra
  • 1903-03-29 00:00:00.0 - 1903-04-05 00:00:00.0
  • duration 5:00

Zij sluimert (She Slumbers) is the last of the three songs Diepenbrock orchestrated at the request of the tenor Jos Tijssen, who had sung the premiere of the Abendmahlshymne (Hymn of the Last Supper, RC 47) on 19 July 1902. The two songs on texts by Perk were orchestrated shortly after each other in the spring of 1903: Avondzang (Evening Song, RC 59) between 20 and 27 March and Zij sluimert between 29 March and 5 April. Diepenbrock really wanted to start the orchestration in November 1902 – after completing the score of Wenige wissen das Geheimnis der Liebe (Few Know the Secret of Love, RC 58) – but at that point he did not have a copy of the piano version at his disposal. (BD IV:35) …more >

Zij sluimert (incipit)


Zij sluimert (She Slumbers) is the last of the three songs Diepenbrock orchestrated at the request of the tenor Jos Tijssen, who had sung the premiere of the Abendmahlshymne (Hymn of the Last Supper, RC 47) on 19 July 1902. The two songs on texts by Perk were orchestrated shortly after each other in the spring of 1903: Avondzang (Evening Song, RC 59) between 20 and 27 March and Zij sluimert between 29 March and 5 April. Diepenbrock really wanted to start the orchestration in November 1902 – after completing the score of Wenige wissen das Geheimnis der Liebe (Few Know the Secret of Love, RC 58) – but at that point he did not have a copy of the piano version at his disposal. (BD IV:35)

After Tijssen had moved to Germany in 1903, Diepenbrock had great difficulty finding a suitable tenor to perform Zij sluimert (see BD IV:164). Therefore the song was premiered by the soprano Aaltje Noordewier-Reddingius at a concert with the Concertgebouw Orchestra conducted by Willem Mengelberg at which Diepenbrock’s Lied der Spinnerin (Song of the Spinner, RC 42/75) and Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (I Am No Longer Alone in Solitude, RC 41/73) were also performed for the first time. In the programme notes – most likely by Diepenbrock – this contradiction concerning Zij sluimert was put into words as follows:

“Although its content makes the text only suitable for male voice and the song was written for tenor, Mrs Noordewier felt the visitors of the Concertgebouw should be made acquainted with this composition.” (BD V:703)

With hindsight Diepenbrock called the performance by a soprano instead of a tenor a wrong experiment, concluding: I almost believe I should orchestrate it again in an entirely different manner for Noordewier. (BD V:275)

The main reason for this failure was the fact that in its orchestration Zij sluimert differs from Diepenbrock’s other songs for tenor. There are no descant instruments such as the flute, the oboe and the violin. In the low register the orchestral sound forms a unity with the tenor voice, while a soprano inverts the interval relations between the soloist and the melody in the horns, thus undoing the (symbolic) effect of several passages.

The way Diepenbrock depicts the transition from life to death – the topic of the sonnet – is described as follows in the above mentioned programme notes for Zij sluimert:

Built on 2 motives, the 2nd of which occurs on the words “straks opent zij heur oogen” (soon she will open her eyes). This motive, which in its first occurrence acts as a “life motive”, turns in the 2nd movement (at the terza rimas of the sonnet), after being developed during a short intermezzo, into a “death motive”. It occurs in both the basses and the top voices of the orchestra and almost entirely dominates the second part of the composition. (BD V:702)

Robert Spannenberg



Zij sluimert

Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen
Dien arm, dien mos en lokken beide streelen.
Een sprei van groene schaduw, zacht bewogen,
Daalt uit zilver-loovers der abeelen;

Zij ademt zuchten, en zij lacht, als togen
Er droomen door heur ziel, die vroolijk spelen:
O zoete hoop! Straks opent zij heur oogen,
Straks zal de hemel nieuwe heemlen telen:

Slaap zacht! Ik zie den donkren nacht genaken,
Dat gij Uw oog voor eeuwig houdt geloken, –
Dan sluimert gij, maar kunt niet meer ontwaken:

Dan zal de zode, die gij dekt, ú dekken,
Dan zal geen zonnestraal uw lippen strooken,
Geen lied van ’t woud u uit dien sluimer wekken. –

 

She lies to rest

Beneath the tender moss she lies to rest
And with her bended arm calls a caress.
A coverlet of shadowed green, on breeze’s breath
Through silver leaves of poplar’s sweet largesse.

She breathes in little sighs and flitting smiles
As dreams go wafting through her soul and play;
O sweetest hope!  Her eyes will surely open,
And soon the heavens count more heavenly days.

Sleep soft! I see the dark of night o’ertaking
It comes to shut your eyes forever still
And then you’ll slumber, nevermore awaking.

Then shall the sod grow into solid cover
No gentle sunlight kiss your lips’ red rill,
No forest song awaken you, now not ever.

(transl. Ruth van Baak Griffioen)

 


 


  • A-44(3) Nr. 3 of Drie liederen voor Tenoor met Orkestbegeleiding,

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20

    A-44(3) = Nr. 3 of Drie liederen voor Tenoor met Orkestbegeleiding, dated on the last page gecomp. 10 Maart 1900 / geinstr. 29 Maart – 5 April 1903

    • 1903-03-29 00:00:00.0 – 1903-04-05 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 20
  • HGM 184/226 Zij sluimert (“Zij rust in ’t malsche mos”)

    copy HGM 184/226 (NMI, archive Willem Mengelberg), copyist F. du Pré

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

  • click to enlarge

    Anniversary Edition 3

    cd Et'cetera KTC 1435 CD3
    Residentie Orkest ♦ Vonk, Hans ♦ Bije, Annette de la ♦ Defraiteur, Renée ♦ Devos, Lode ♦ Hombert, Christoph ♦ Kruysen, Bernard ♦ Omroeporkest ♦ Radio Philharmonisch Orkest ♦ Promenade Orkest ♦ Berg, Maurits van den ♦ Otterloo, Willem van ♦ Silberman, Benedict

    Tracks: 1 = RC 84; 2 = RC 75; 3 = RC 92; 4 = RC 81; 5 = RC 80; 6 = RC 130; 7 = RC 59; 8 = RC 73; 9 = RC 60; 10 = RC 82; 11 = RC 83; 12 = RC 58

  • Drie sonnetten voor tenor of sopraan en orkest

    1962 Donemus/ADF

22 nov 1906: Tweede van twee concerten met werken van Diepenbrock gezongen door Aaltje Noordewier-Reddingius met het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Willem Mengelberg in het Concertgebouw te Amsterdam. Op 21 november is de première geweest van de Zwei geistliche Lieder voor sopraan en orkest: Wenn ich ihn nur habe (RC 72) en Wenige wissen das Geheimnis der Liebe (RC 58). Op 22 november vindt de eerste uitvoering plaats van Lied der Spinnerin, Zij sluimert (RC 60) en Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (RC 73) voor sopraan en orkest. Voorts bestaat het programma uit de inleiding tot de derde acte van Lohengrin, twee aria's uit Händel's Samson, de ouverture Alceste van Gluck, het Larghetto uit het klarinetkwintet van Mozart, en na de pauze de Zesde symfonie van Beethoven.

Boven de zangteksten zijn ongesigneerde toelichtingen afgedrukt, kennelijk van de hand van Diepenbrock. De tekst over dit lied luidt:

Gebouwd op 2 motieven, waarvan het 2e optreedt bij de woorden “straks opent zij heur oogen”. Dit motief, dat in zijn eersten vorm als “levensmotief” optreedt, wordt in het 2e deel (bij de terzinen van het sonnet) na in een kort tusschenspel ontwikkeld te zijn, tot “doodsmotief”. Het treedt zoowel in de bassen als in de bovenstemmen van het orkest op en beheerscht bijna uitsluitend het 2e deel der compositie. (Orkestbezetting: alten, violoncellen, bassen, 1 engelsche hoorn, 2 clarinetten, basclarinet, 1 fagot, 4 hoorns, 3 bazuinen.) Hoewel de tekst naar zijn inhoud alleen voor een mannenstem past, en het lied voor tenor is geschreven, meende Mevr. Noordewier den be­zoekers van het Concertgebouw de kennismaking met deze compositie niet te moeten onthouden.

[...] Maar konden zijn zangen Woensdagavond, bij 'n eerste auditie, ons niet uit die zekere koele waardeering halen, die men voor het bijzonder “interessante” gevoelt, de liederen die mevrouw Noordewier gisteravond heeft voorgedragen voerden ons in andere, hoogere stemming op. Deze liederen (Brentano's Spinnerin, Perk's Zij sluimert, Van Deyssel's Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen) heeft ieder, die ze door de uitgaaf voor zang met piano leerde kennen, reeds bewonderd. Bewonderd in de eigene muziektaal, die elke nuance der dichterlijke stemming met in de fijnste toonschakeeringen uitbeeldende expressies ons doet voelen. Hoeveel dieper nog is de zinrijke klavier-partij geworden in de stemmen der strijk- en blaasinstrumenten! Ik weet niet wat mij meer geboeid en getroffen heeft, de zangstem of die van het orkest: zij waren één, de kleuren, klanken, woorden vloeiden samen tot één tonendicht van zacht-droeve, weemoedsvolle stemming. Moeten we den wensch der zangeres om ook het lied van Perk ten gehoore te brengen, hoewel het voor tenor is gecomponeerd, een waagstukje noemen, en 't bejammeren dat met den laatsten regel “Geen lied van 't woud” de schoonheid der voordracht in verdrukking kwam? We aarzelen: mevrouw Noordewier – hoe weinigen durven en kunnen deze liederen aan! — heeft men voor de kennismaking met het lied in deze gedaante recht erkentelijk te zijn. In heerlijke heugenis toch blijven ons Diepenbrock's nieuwe proeven van oorspronkelijke, voorname lyriek, parelen van zeldzame waarde. — Een der liederen is opgedragen aan haar die voor de kunst van onzen genialen stadgenoot met imponeerende geest­drift optreedt; een ander aan Mengelberg, die waarlijk in die toewij­ding bij mevrouw Noordewier niet achter staat. Wat zijn orkest gisteren gedaan heeft, stond onvergelijkelijk hoog, zoowel wat de begeleiding door de kleine groepen betreft en het obligaatspel van enkele artiesten (ik denk met veel ingenomenheid o.a. aan de klarinet in Mozart's Larghetto, aan de trompet in een der Handel-aria's, door mevrouw Noordewier prachtig voorgedragen, aan den hoorn in het Lied der Spinnerin), als het orkestspel in zijn geheel: Pastoraal-symfonie van Beethoven! […] Onschatbare avonden in het Concertgebouw, met mevrouw Noordewier en Diepenbrock, met Mengelberg en het Amsterdamsen orkest!

Algemeen Handelsblad (S.Z. [= W.N.F. Sibmacher Zijnen]), 23 novem­ber 1906

pdf All reviews for RC 60 Zij sluimert (“Zij rust in ’t malsche mos en houdt gebogen”)