english | nederlands

RC 67 Im grossen Schweigen (“Hier liegt das Meer, hier können wir die Stadt vergessen”)

text source

Friedrich Nietzsche, Morgenröthe. Gedanken über die moralischen Vorurtheile Neue Ausgabe mit einer einführenden Vorrede (Leipzig: E.W. Fritzsch 1887), 283-284

first performance

1906-05-20 00:00:00.0 Amsterdam, Concertgebouw

recordings

  • Anniversary Edition 2 Et'cetera KTC 1435 CD2

publications

  • Im grossen Schweigen Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds 31788018
  • Im grossen Schweigen (full score)
  • Im grossen Schweigen (vocal score)

  • Im grossen Schweigen (“Hier liegt das Meer, hier können wir die Stadt vergessen”)
  • Nietzsche, Friedrich
  • bariton en orkest
  • 1905-07-01 00:00:00.0 - 1906-02-02 00:00:00.0 | revised 1918-05-16 00:00:00.0 - 1918-05-19 00:00:00.0
  • duration 23:00

Sinds zijn studentenjaren gefascineerd door het proza en de gedachtewereld van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, overwoog Diepenbrock reeds in 1899 diens Aphorisme nr. 423 uit Morgenröthe op muziek te zetten. (BD V:5) Na een verblijf van drie weken in Italië begon hij in juli 1905 aan de compositie, die hij onder niet aflatende inspiratie op 2 februari 1906 voltooide. In de eerste versie van het werk vormen de passages waarin de tekst wordt voorgedragen slechts een derde van het totaal aantal maten van de compositie (157 van de 470). Alleen de orkestrale inleiding telt al 74 maten, en de verschillende, in lengte sterk uiteenlopende episodes waarin Diepenbrock de tekst presenteert, worden afgewisseld met uitgebreide orkestrale interludes. Opvallend is dat deze verhoudingen in geen van de eerste besprekingen van de compositie als problematisch werden ervaren. …more >

Im grossen Schweigen (incipit)


Sinds zijn studentenjaren gefascineerd door het proza en de gedachtewereld van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, overwoog Diepenbrock reeds in 1899 diens Aphorisme nr. 423 uit Morgenröthe op muziek te zetten. (BD V:5) Na een verblijf van drie weken in Italië begon hij in juli 1905 aan de compositie, die hij onder niet aflatende inspiratie op 2 februari 1906 voltooide. In de eerste versie van het werk vormen de passages waarin de tekst wordt voorgedragen slechts een derde van het totaal aantal maten van de compositie (157 van de 470). Alleen de orkestrale inleiding telt al 74 maten, en de verschillende, in lengte sterk uiteenlopende episodes waarin Diepenbrock de tekst presenteert, worden afgewisseld met uitgebreide orkestrale interludes. Opvallend is dat deze verhoudingen in geen van de eerste besprekingen van de compositie als problematisch werden ervaren.

In de openingszin van het aforisme dat Nietzsche rond 1880 in Genua op schrift stelde, staat de auteur – tijdens een avondwandeling waarbij hij de drukte van de havenstad achter zich laat – plotseling voor de majestueuze Middellandse Zee. Reeds bij het lezen van deze tekst moet Diepenbrock zo gegrepen zijn door dit beeld dat hij na zijn verblijf in Rome en Florence per trein over Genua terugreist om Nietzsches ervaring ook zelf te doorleven. (BD IV:393)

Met de presentatie van een aantal korte muzikale flarden die zich contrapuntisch met elkaar verstrengelen, plaatst de orkestinleiding ons midden in deze hectiek. Met een nieuw motief, een brede golfslag suggererend, kondigt de zee zich aan: drie dalende secundeschreden, waarvan de eerste en tweede noot een gepuncteerde opmaat vormen. Dan constateert de wandelaar: “Hier ist das Meer, hier können wir die Stadt vergessen.” In het daarop volgende instrumentale intermezzo van 45 maten wordt ons de zee gepresenteerd in haar ongenaakbare schoonheid, maar horen we ook wat de wandelaar nog waarneemt van de wereld die hij zojuist de rug heeft toegekeerd: “Zwar lärmen eben jetzt noch ihre Glocken das Ave Maria […] aber nur noch einen Augenblick”. (Om het gelui van klokken te suggereren gebruikt Diepenbrock hier hetzelfde drietonige motief als in Vondels vaart naar Agrippine, RC 64.) Na de betekenisvolle woorden “Jetzt schweigt Alles” sluit dit gedeelte van de compositie met een generale pauze af.

Voorafgegaan door een orkestraal tussenspel, beheerst door het ‘golfslag’-motief, volgt de zin “Das Meer liegt bleich und glänzend da” – het begin van Nietzsches overpeinzingen met betrekking tot de natuur, die zich ten opzichte van menselijke emoties in een ‘oogverblindend zwijgen’ hult, en de schrijver de woorden ontlokt “ja, ich bemitleide dich um deiner Bosheit willen!” Het nu volgende orkestrale intermezzo van 81 maten valt uiteen in twee episodes en kan als de instrumentale doorwerking van het voorafgaande worden beschouwd. Eerst wordt teruggegrepen op motieven uit de inleiding waarbij ook regelmatig het ‘golfslag’-motief te horen is, daarna klinkt in het orkest de melodie waarop eerder de woorden “Das Meer liegt bleich und glänzend da” werden gezongen. Dan introduceren de blazers een nieuw motief van zeven relatief lange tonen met een opvallende stijgende kwint aan het begin. Aansluitend wordt de tweede fase van Nietzsches overpeinzingen ingeleid met de woorden “Ach, es wird noch stiller und noch einmal schwillt mir das Herz.” Daarop volgt de pijnlijke erkenning dat het juist de zwijgende natuur is die de mens de fundamentele onvolkomenheid van zijn eigen spreken voorhoudt; dat de mens eerst werkelijk boven zichzelf kan uitstijgen als hij zich van deze onvolkomenheid zou kunnen ontdoen: “Muss ich nicht meines Mitleidens spotten? Meines Spottes spotten?” Na de ontboezeming “O Meer! O Abend! Ihr seid schlimme Lehrmeister! Ihr lehrt den Menschen aufhören Mensch zu sein” klinkt zacht in hoge strijkers en blazers opnieuw het zeven-tonen motief, waar nu echter vijf tonen aan worden toegevoegd; daarmee blijkt het de eerste regel van de gregoriaanse hymne Ave maris stella te zijn. Maar de wandelaar heeft geen oor voor deze ‘transcendente taal’. Terwijl hij zich afvraagt: “Soll er sich euch hingeben? Soll er werden, wie ihr es jetzt seid, bleich, glänzend, stumm, ungeheuer, über sich selber ruhend? Über sich selber erhaben?” klinkt lokkend de melodie van “Das Meer liegt bleich und glänzend da”. Dan volgen weer 41 maten voor orkest: ingeleid door de openingsmelodie “Hier ist das Meer, hier können wir der Stadt vergessen” manifesteert de zee zich nog eenmaal in een geweldig crescendo. Dan klinkt de complete melodie van het Ave maris stella in de hoogste regionen van het orkest, waarmee de componist, als christen, zijn persoonlijke visie op een verlossing uit het onvolkomene introduceert. Het werk eindigt in een stralend E-groot.

uitvoeringen en herziening

Bij de eerste uitvoering op 20 mei 1906 door de bariton Gerard Zalsman en het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg werd het werk enthousiast ontvangen en beoordeeld; algemeen beschouwde men het als een nieuw hoogtepunt in Diepenbrocks oeuvre. (Voor de programmatoelichting van zijn hand, zie BD V:651-652.) Bijzonder aan de première was dat men Im grossen Schweigen zowel vóór als na de pauze te horen kreeg. Een jaar later, op 30 mei 1907, vond een reprise plaats met dezelfde executanten.

In 1911 (van 1 mei tot 8 juli) herzag Diepenbrock de compositie ingrijpend. Door drastische inkortingen van de verschillende orkestrale intermezzi telt het werk sindsdien slechts 324 maten; ook werd de instrumentatie uitgedund en een enkele melodische frase die voor de zangstem wel heel laag lag, herschreven. Om die reden werd ook de passage waarmee de zangstem oorspronkelijk in E-groot opende, een toon omhoog getransponeerd. Hoewel met deze ingreep de oorspronkelijke tonale conceptie van de compositie vanuit de toonsoort E werd doorbroken, bood deze aanpassing de mogelijkheid direct aan te sluiten bij de toonsoort Fis, waarin zojuist de orkestrale schildering van de zee had geklonken. Daarmee werd deze verbinding met dertien maten ingekort. In het intermezzo dat aansluit op de eerste gezongen frase werden 39 maten door veertien vervangen, waardoor in dit gedeelte het ‘golfslag’-motief zelfs niet meer voorkomt. Een vergelijkbare coupure van 42 maten volgde na de zin “ja, ich bemitleide dich um deiner Bosheit willen!”, waarbij het hele eerste deel van de instrumentale doorwerking verviel. Tenslotte sneuvelden na de slotwoorden “Über sich selber erhaben” de 41 maten waarin de natuur zich nog eenmaal manifesteert; op de als laatste gezongen woorden volgt nu direct de complete melodie van het Ave maris stella. Wèl heeft Diepenbrock de afsluiting in E-groot met acht maten verlengd.

Al in een brief aan Johanna Jongkindt van 27 juli 1910 is te vinden dat Diepenbrock de compositie als te lang en te zwaar en donker ervoer. (BD VI:353) Toen hij in oktober 1911 de gereviseerde partituur met Gerard Zalsman doornam, deed het werk hem zelfs erg antipathiek aan. (BD VII:270) Hierbij speelde zeker een rol dat met de compositie van Marsyas (RC 101) en Die Nacht (RC 106) zijn instrumentatie onder invloed van de moderne Franse muziek een duidelijke verandering had ondergaan, wat door hemzelf als een grote stap vooruit werd ervaren. Dat de instrumentale intermezzi zo drastisch ingekort werden heeft echter ook te maken met Diepenbrocks pogen het werk toegankelijker en praktischer voor een eventuele uitvoering te maken.

Ook daarna bleef de componist kritisch tegenover het werk staan, wat blijkt uit zijn verzoek van november 1917 aan het Concertgebouworkest om een reeds geplande uitvoering van de tweede versie, met de uitstekende Wagner-zanger Richard van Helvoirt Pel, niet door te laten gaan: Het voldoet mij niet meer. (BD IX:298) Ofschoon Diepenbrock in 1918 de partituur in twee fases (19-28 januari en 16-19 mei) nogmaals onder handen heeft genomen, is Im grossen Schweigen decennialang niet meer uitgevoerd. Pas op 13 januari 1952 brachten bariton Laurens Bogtman en dirigent Eduard Flipse het werk ten gehore met het Rotterdams Filharmonisch Orkest, op basis van een voorlopige uitgave die het Alphons Diepenbrock Fonds in 1947 van Diepenbrocks finale versie had uitgebracht. Een definitieve editie verscheen in 1974.

Dat de ontvangst van het werk in 1906 echter in brede kring uiterst positief was, en zowel het Concertgebouworkest in Amsterdam als het Kaim-Orchester in München (onder leiding van Jan Ingenhoven) het zonder uitvoeringstechnische problemen ten gehore brachten, zou aanleiding genoeg moeten zijn om de eerste versie uit 1906 (met enkele revisies in de instrumentatie die de componist zelf na de eerste uitvoering nog aanbracht) opnieuw tot klinken te brengen. Het zou de oorspronkelijke conceptie van het werk verhelderen en ons beeld van de componist in die periode zeker verrijken.

Jaap van Benthem & Ton Braas



Im grossen Schweigen

Hier ist das Meer, hier können wir der Stadt vergessen,
Zwar lärmen eben jetzt noch ihre Glocken das Ave Maria –
es ist jener düstere und törichte, aber süße Lärm
am Kreuzwege von Tag und Nacht –
aber nur noch einen Augenblick! Jetzt schweigt Alles!
Das Meer liegt bleich und glänzend da, es kann nicht reden.
Der Himmel spielt sein ewiges stummes Abendspiel
mit roten, gelben, grünen Farben, er kann nicht reden.
Die kleinen Klippen und Felsenbänder,
welche in's Meer hineinlaufen wie um den Ort zu finden,
wo es am einsamsten ist, sie können alle nicht reden.
Diese ungeheure Stummheit, die uns plötzlich überfällt,
ist schön und grausenhaft, das Herz schwillt dabei.
Oh der Gleissnerei dieser stummen Schönheit!
Wie gut könnte sie reden, und wie böse auch, wenn sie wollte!
Ihre gebundene Zunge und ihr leidendes Glück im Antlitz
ist eine Tücke, um über dein Mitgefühl zu spotten!
Sei es drum! Ich schäme mich dessen nicht,
der Spott solcher Mächte zu sein.
Aber ich bemitleide dich, Natur, weil du schweigen mußt,
auch wenn es nur um deiner Bosheit ist, die dir die Zunge bindet:
ja, ich bemitleide dich um deiner Bosheit willen!
Ach, es wird noch stiller, und noch einmal schwillt mir das Herz:
es erschrickt vor einer neuen Wahrheit, es kann auch nicht reden,
es spottet selber mit, wenn der Mund etwas in diese Schönheit hinausruft,
es genießt selber seine süße Bosheit des Schweigens.
Das Sprechen, ja das Denken ward mir verhaßt:
höre ich denn nicht hinter jedem Worte den Irrtum,
die Einbildung, den Wahngeist lachen?
Muß ich nicht meines Mitleidens spotten? Meines Spottes spotten? –
Oh Meer! Oh Abend! Ihr seid schlimme Lehrmeister!
Ihr lehrt den Menschen aufhören, Mensch zu sein!
Soll er sich euch hingeben? Soll er werden, wie ihr es jetzt seid,
bleich, glänzend, stumm, ungeheuer, über sich selber ruhend?
Über sich selber erhaben?

In the Great Silence

Here is the sea, here we may forget the town.
It is true that its bells are still ringing the Ave Maria –
that solemn and foolish yet sweet sound
at the crossroads between day and night –
but one moment more! Now all is silent!
There lies the ocean, pale and brilliant: it cannot speak.
The sky is glistening with its eternal mute evening hues,
red, yellow and green: it cannot speak.
The small cliffs and rocks,
which stretch out into the sea as if to find the loneliest spot –
they, too are dumb.
This vast silence which so suddenly overcomes us
is beautiful and awful, and makes the heart swell.
Oh, the deceit of this dumb beauty!
How well it could speak, and how evilly, too, if it wished!
Its tongue tied up and its face of suffering happiness –
all this is but malice, mocking your sympathy!
So be it! I do not feel ashamed
to be the plaything of such powers.
But I pity you, oh Nature, because you must be silent,
even though it is only malice that binds your tongue:
yes, I pity you for the sake of your malice!
Alas, the silence deepens, and once more my heart swells:
it is startled by a new truth – it, too, is dumb,
it likewise sneers when the mouth calls out something to this beauty,
it also enjoys the sweet malice of its silence.
I come to hate speaking, yes, even thinking:
behind every word I utter do I not hear the laughter
of error, illusion and insanity?
Must I not laugh at my pity? Mock my own mockery?
Oh sea! Oh evening! You are bad teachers!
You teach man how to cease to be man!
Is he to give himself up to you? Should he become as you now are,
pale, brilliant, dumb, immense, reposing calmly upon himself?
Exalted above himself?

 


  • A-50 m grossen Schweigen / Tongedicht für grosses Orchester mit Baritonsolo

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83
    • 84
    • 85
    • 86
    • 87
    • 88
    • 89
    • 90
    • 91
    • 92
    • 93
    • 94
    • 95
    • 96
    • 97
    • 98
    • 99
    • 100
    • 101
    • 102
    • 103
    • 104
    • 105
    • 106
    • 107
    • 108
    • 109
    • 110
    • 111
    • 112
    • 113
    • 114
    • 115
    • 116
    • 117
    • 118
    • 119
    • 120
    • 121
    • 122
    • 123
    • 124
    • 125
    • 126
    • 127
    • 128
    • 129
    • 130
    • 131
    • 132
    • 133
    • 134
    • 135
    • 136
    • 137
    • 138
    • 139
    • 140
    • 141
    • 142
    • 143
    • 144
    • 145
    • 146
    • 147
    • 148
    • 149
    • 150
    • 151
    • 152
    • 153
    • 154
    • 155
    • 156
    • 157
    • 158
    • 159
    • 160
    • 161
    • 162
    • 163
    • 164
    • 165
    • 166
    • 167
    • 168
    • 169
    • 170
    • 171
    • 172
    • 173
    • 174
    • 175
    • 176
    • 177
    • 178
    • 179
    • 180
    • 181
    • 182
    • 183

    A-50 entitled Im grossen Schweigen / Tongedicht für grosses Orchester mit Baritonsolo dated on the title page comp. Juli – October 1905. instr. Octob 1905 – Febr 1906 and on the last page Juli 1905 – 2 Febr. 1906 Amsterdam

    • 1905-07-01 00:00:00.0 – 1906-02-28 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 183
  • A-51 Im grossen Schweigen -2

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83
    • 84
    • 85
    • 86
    • 87
    • 88
    • 89
    • 90
    • 91
    • 92
    • 93
    • 94
    • 95
    • 96
    • 97
    • 98
    • 99
    • 100
    • 101
    • 102
    • 103
    • 104
    • 105
    • 106
    • 107
    • 108
    • 109
    • 110
    • 111
    • 112
    • 113
    • 114
    • 115
    • 116
    • 117
    • 118
    • 119
    • 120
    • 121
    • 122
    • 123
    • 124

    semi-autograph A-51 dated on the last page 8 Juli 1911. / gecomponeerd Juli 1905 – 2 Febr. 1906. en geinstrumenteerd / Overgewerkt 1 Mei – 8 Juli 1911. / opnieuw overgewerkt 19 Jan. – 28 Jan 1918. / 16 Mei – 19 Mei 1918

    • 1918-01-19 00:00:00.0 – 1918-05-19 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 124
  • A-42(3) Im grossen Schweigen

    semi-autograph A-42(3) dated on the title page componirt von Alphons Diepenbrock 1905-1906 Amsterdam

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-52 Im grossen Schweigen, vocal score

    vocal score A-52 dated on the title page Juli – Octob 1905 and on the last page 18 Octob. 1905 (Juli Octob.) Amsterdam

    • 1905-07-01 00:00:00.0 – 1905-10-18 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-53 Im grossen Schweigen

    Semi-autograph vocal score A-53 dated on the first page (Juli – Octob. 1905) and with dedication on the title page Voor mijn waarden en trouwen vriend Gerard Zalsman / Alphons Diepenbrock Febr. 1906 with note by Zalsman: 1e Uitvoering 20 Mei '06. / 2e id. 30 Mei '07. / München Nov. '06

    • 1905-07-01 00:00:00.0 – 1906-02-28 00:00:00.0
    • dedication: Voor mijn waarden en trouwen vriend Gerard Zalsman / Alphons Diepenbrock Febr. 1906
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-54 Im grossen Schweigen - vocal score

    copy vocal score A-54

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • R 354 Im grossen Schweigen - vocal score

    copy vocal score Conservatoire de musique Genève R354

    • location:
    • pages: unknown

Im grossen Schweigen uitgevoerd door Robert Holl en het Residentie Orkest o.l.v. Hans Vonk



  • click to enlarge

    Anniversary Edition 2

    cd Et'cetera KTC 1435 CD2
    Concertgebouworkest ♦ Augér, Arleen ♦ Chailly, Riccardo ♦ Holl, Robert ♦ Baker, Janet ♦ Finnie, Linda ♦ Residentie Orkest ♦ Haitink, Bernard

    Tracks: 1 = RC 106; 2 = RC 49; 3 = RC 50; 4 = RC 67

  • Im grossen Schweigen

    1974 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds
  • Im grossen Schweigen (full score)

    1947 Pijper, Willem
  • Im grossen Schweigen (vocal score)

    1948 Reeser, Eduard

20 mei 1906 Eerste uitvoering van Im grossen Schweigen in het Concertgebouw te Amsterdam door Gerard Zalsman met het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Willem Mengelberg. Vooraf gaat het voorspel Parsifal, na de pauze volgt een herhaling van Im grossen Schweigen. Het programma bevat de volgende (niet gesigneerde) toelichting van de hand van Diepenbrock:

De tekst van dit werk bevindt zich in een der boeken uit N[ietzsche]'s middenperiode. Het is een stemmingsgedicht in proza-rhythmus, te midden van allerlei andere aphorismen van philosophischen inhoud. De stad waarover gesproken wordt is Genua, waar N. toenmaals woonde. De beteekenis van het voorspel ligt in den eersten zin van den tekst opgesloten. Het is de eenzame gang van den dichter uit de stad naar de zee, in den avond. — De in den aanvang optredende motieven (E moll) hebben een onrustig (subjectief) karakter. Wanneer de tonaliteit van Fis dur optreedt, zetten de harpen violen en bazuinen in, om het in de verte aanzwellend gedruisch der zee te schilderen. De harmoniën en het klankvolume zetten zich uit en voeren met een groot cresendo naar E dur, waarop de zangstem inzet. Daarop volgt een muzikale schildering van dat avondmoment aan het zeestrand waarbij het galmen van grootere en kleinere klokken uit de stad zich mengt in het ruischen der zee. — Na een decrescendo waarbij de kleuren van het orkest al don­kerder worden zet de zanger zijn monoloog weer voort, tot “jetzt schweigt Alles”, waarop een rustpunt volgt en de inleiding van het werk geëindigd is. — Het hoofdthema (E dur) van het daarop volgend 1e deel is de melodische ontwikkeling van het uit 3 dalende tonen be­staande motief, waarmede de violen in de inleiding inzetten:

het lied van de rustelooze zee. De zangstem zet vervolgens de woorden: “Das Meer liegt bleich und glänzend da” (Gis moll) in op eene melo­die die nog 3 keer in het verloop van het werk als herinneringsmotief terugkeert. — Na de woorden “Sei es drum” keeren in het orkest we­derom de gepuncteerde motieven uit den aanvang der inleiding terug, totdat het 1e deel afsluit na de woorden: “ja, ich bemitleide dich um deiner Bosheit willen”. — In een uitgebreid tusschenspel worden nu de verschillende motieven doorgevoerd. Daarbij treedt plotseling een nieuw motief op, eerst in de fluiten,

dan in de trompet

 

Het is de aanvang van den middeleeuwschen kerkhymnus Ave maris stella. Na verschillende stijgingen en dalingen eindigt dit tusschenspel met een groot decrescendo, en begint het 2e en laatste deel bij de woor­den “Ach es wird noch stiller” (D moll). — Na de woorden “Ihr lehrt den Mensch[en]” etc. treedt wederom de 1e zin van den genoemden hymnus op in het allerhoogste register, totdat de zangstem over de harmoniën van F moll en Es dur naar E dur terugkeert bij den slotzin “Ueber sich selber erhaben”. — In het naspel domineert de hoofdtoon­aard (E dur); verschillende motieven krijgen daarin hun uiterste span­ning, tot eindelijk na een groot crescendo de genoemde Hymnus in zijn geheel doorweven met verschillende contrapuntische motieven als triomfzang optreedt, en een korte coda het werk afsluit.

 

Bij den aanvang der Diepenbrock-week, die op uitvoeriger beschouwing dan waartoe nu gelegenheid is aanspraak heeft, past een beknopte mededeeling over de gebeurtenis van gisteren in het Concertgebouw. — Diepenbrock's nieuwste compositie, een tonen-gedicht, op de reeds meegedeelde proza-bladzijde van Fr. Nietzsche gebaseerd, heeft ontzaglijken indruk gemaakt. Door een stemmingsvolle, slechts 'n oogenblik door te helderen koperklank uit het wazig mystieke gerukte uitvoering van Wagner's Parsifal-voorspel waardig ingeleid, is Im grossen Schweigen tweemaal – een pauze gaf de noodzakelijke rust – door het orkest en Gerard Zalsman, met Mengelberg als leider, voorgedragen ten aanhoore van een volle zaal en, later, van een zeer talrijk belangstellend auditorium. Ik heb al vernomen van verlangen naar de derde uitvoering: het is te verklaren! Immers deze Nietzsche-muziek, logisch en helder van bouw, rijk aan melodisch karakter, heeft een stuwende innerlijkheid zoo omvattend en zoo diep, dat niet velen spoedig haar overzien en peilen kunnen. Bezwaarlijk te vinden is de Nederlandsche componist, die het orkest in zoo wonder-elastische golving polyphoon doet zingen als Diepenbrock, en op geen enkelen anderen kunnen we ons beroepen, die het innerlijk uitdrukkingsvermogen zoo sterk en zoo veelzijdig bezit als hij. Zijn Im grossen Schweigen heeft meer dan schilderend-vizionaire en stemming-suggereerende kracht – we ontwaren in zijn muziek de breede, overtuigende ideeën en de zielswerking die verheft. Als bij elke echte groote kunst ondervinden wij haren louterenden invloed te machtiger naar mate wij er, scherpend de fijnste muzikale intuïties, langduriger ons indenken en in-voelen. — Hoe dankbaar diene men Mengelberg en het orkest, en den zanger Zalsman, te zijn: dat zij de uitvoering van Diepenbrock's tonen-dicht op zoo indrukwekkende wijze mogelijk maakten! En hem zelf... heeft men met de gewone uiterlijke teekenen van waardeering gehuldigd, niet wetend hoe anders te doen of te spreken. Eer voegt wel bij Diepenbrock's idealisme het ontroerde zwijgen.

Algemeen Handelsblad (S.Z. [= W.N.F. Sibmacher Zijnen]), 21 mei 1906

pdf All reviews for RC 67 Im grossen Schweigen (“Hier liegt das Meer, hier können wir die Stadt vergessen”)