english | nederlands

RC 101 Marsyas, of De betooverde bron

text source

Marsyas, of De betooverde bron, mythische comedie door Balthazar Verhagen (manuscript)

first performance

1910-10-04 00:00:00.0 Amsterdam, Paleis voor de Volksvlijt
  • Marsyas, of De betooverde bron
  • Verhagen, Balthazar
  • toneelmuziek voor spreekstemmen en orkest
  • 1909-09-08 00:00:00.0 - 1910-02-28 00:00:00.0
  • duration ca. 34:00

Marsyas, of De betooverde bron is het eerste van de vijf toneelmuziekwerken die Diepenbrock in de laatste tien jaar van zijn werkzame leven schreef. De gelijknamige komedie, een herdichting van een mythologisch verhaal uit de Griekse oudheid, is ontworpen door Balthazar Verhagen (1881-1950). De tekstversie echter die bij de opvoeringen van Marsyas in oktober/november 1910 heeft geklonken, draagt in niet geringe mate Diepenbrocks stempel, zodat in zekere zin van een coproductie gesproken kan worden. Verhagen, ambtenaar bij het ministerie van Handel en Nijverheid, was tussen 1903 en 1908 leerling in de klassieke talen geweest bij Diepenbrock en had zo de mythe van de amoureuze strijd tussen de god Apollo en de sater Marsyas leren kennen waarvan Xenophon in de Anabasis melding heeft gemaakt. Anders dan in het oorspronkelijke verhaal waarin Marsyas als straf voor zijn overmoed door Apollo levend wordt gevild, komt de sater in Verhagens libretto door verdrinking aan zijn einde. …more >

Marsyas - I (incipit)
Marsyas - II (incipit)
Marsyas - III (incipit)


Marsyas, of De betooverde bron is het eerste van de vijf toneelmuziekwerken die Diepenbrock in de laatste tien jaar van zijn werkzame leven schreef. De gelijknamige komedie, een herdichting van een mythologisch verhaal uit de Griekse oudheid, is ontworpen door Balthazar Verhagen (1881-1950). De tekstversie echter die bij de opvoeringen van Marsyas in oktober/november 1910 heeft geklonken, draagt in niet geringe mate Diepenbrocks stempel, zodat in zekere zin van een coproductie gesproken kan worden. Verhagen, ambtenaar bij het ministerie van Handel en Nijverheid, was tussen 1903 en 1908 leerling in de klassieke talen geweest bij Diepenbrock en had zo de mythe van de amoureuze strijd tussen de god Apollo en de sater Marsyas leren kennen waarvan Xenophon in de Anabasis melding heeft gemaakt. Anders dan in het oorspronkelijke verhaal waarin Marsyas als straf voor zijn overmoed door Apollo levend wordt gevild, komt de sater in Verhagens libretto door verdrinking aan zijn einde.

Diverse invloeden spelen een rol in Verhagens Marsyas, of De betooverde bron. In het najaar van 1908 had hij kennis gemaakt met Friedrich Nietzsches Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik, de filosofische verhandeling die ook Diepenbrock al sinds zijn studietijd na aan het hart lag. In Verhagens adaptatie van het Marsyas-gegeven is – in de geest van Nietzsche – de confrontatie van het apollinische en het dionysische op de voorgrond geplaatst. Volgens een brochuretekst van Verhagen (BD VII:489) was er een tweede, andersoortige inspiratiebron in de vorm van een schilderij getiteld Apollo en Marsyas dat destijds aan Rafaël werd toegeschreven.2

Aanvankelijk is Diepenbrock er niet toe gekomen om zich te verdiepen in de tekst die hij eind november 1908 had ontvangen. Het is vermoedelijk in het daarop volgende voorjaar geweest dat Verhagen zijn vroegere leermeester eraan heeft herinnerd met het verzoek om muziek te componeren bij de komedie. Op 24 april 1909 schreef Diepenbrock dat hij de eerste twee akten met genoegen had gelezen. In juli gaf hij Verhagens tekst – zo meldde hij op een volgens zijn gewoonte in het Latijn gestelde briefkaart aan de auteur – ter lezing aan Willem Royaards, regisseur van de N.V. Het Tooneel, om deze voor het project interesseren. Wanneer Royaards aan het eind van de zomer laat weten het stuk te willen opvoeren, krijgt de inspiratie Diepenbrock te pakken en noteert hij op 8 september 1909 de eerste schets van het Voorspel. Tot medio februari 1910 houdt hij zich voornamelijk bezig met de compositie en aansluitend de orkestratie van het stuk. Pas in tweede instantie, wanneer de muziek al grotendeels op papier staat, komt Diepenbrock terug op de tekst.

Ontstaansgeschiedenis

De ontstaansgeschiedenis van de zesdelige Marsyas-muziek laat zich, parallel aan de hand van dateringen in de autografen, goed volgen in Diepenbrocks correspondentie. In de eerste maanden van 1910 doet Diepenbrock zijn vriendin Johanna Jongkindt uitvoerig schriftelijk verslag van het vorderen van de compositie. Om te beginnen licht hij haar op 11 januari de titel toe:

De bron is betooverd doordat er een traan van Marsyas in is gevallen. Het water is daardoor een liefdesdrank geworden die iedereen baat behalve Marsyas zelf. Dit is wel een mooie symboliek voor een zeker soort van menschen. Het leed van den dichter of kunstenaar (Marsyas) geeft de verrukking en betoovering aan de andere menschen, is een liefdesdrank voor hen, maar het baat hem zelf niet. (BD VI:206)

Uit Diepenbrocks brieven blijkt bovendien dat deze jonge vrouw, ook een voormalige leerling, de ware inspiratiebron vormde voor zijn toneelmuziek.

In drie maanden tijd was het Voorspel uitgegroeid tot een omvangrijk orkestwerk. Zo liet de componist de tekstdichter op 9 december weten: Absolvi hisce diebus partituram prologi symphoniaci (Dezer dagen heb ik de partituur van de symfonische proloog voltooid; BD VI:186-187). Pas na een eerste gezamenlijk overleg met Verhagen en Royaards later in die maand, moet Diepenbrock zich hebben gerealiseerd dat de lengte in geen verhouding stond tot de tekst. Want in bovengeciteerde brief aan Johanna Jongkindt, die instructies bevat voor het kopiëren van de partituur van het Voorspel, geeft hij een opdeling aan:

Tenslotte kan ik ’t zoo niet gebruiken als Voorspel, maar maak een eind bij (19), daar is de inleiding uit. Na de eerste akte begint ’t dan weer bij (17) met de begeleiding en Solofluit, een beetje anders van ligging, en dat gaat als entreacte door tot (50); dan begint melodrama, scherm op en het volgende is de begeleiding van het gesprokene, etc. (BD VI:205)

Deze splitsing is inderdaad doorgevoerd, getuige ook de sporen van het door Diepenbrock gehanteerde radeermes in het pianouittreksel, met als resultaat Voorspel (I) en Entr’acte (II), bedoeld als tussenspel tussen de eerste en tweede akte.3 In definitieve vorm nemen Voorspel (116 maten) en Entr’acte (184 maten) bijna de helft van de partituur in beslag; de Entr’acte is zelfs langer dan de ouverture die Diepenbrock in 1917 voor De vogels (RC 140) zal schrijven.

De rest van het werk – twee korte melodrama’s (III, IV), het voorspel voor de derde akte (V) en een uitgebreide finale (VI) met daarin Melodrama, Nymphendans en Apollo’s Epiloog – ontstaat tussen eind december en half februari. In het op 17 februari 1910 voltooide pianouittreksel is uitsluitend deel III van tekst voorzien. De volgende dag doet Diepenbrock een verzoek aan Verhagen om nog een twintigtal verzen aan de epiloog toe te voegen teneinde de oppergod te laten verkondigen dat  geen hartversterkende kathartische = reinigende kunst kan ontstaan wanneer niet de ‘natuur’ zich huwt aan de ‘cultuur’. (BD VI:228) Blijkbaar had de classicus behoefte aan een afsluitende ‘moraal’.

Thema’s en motieven

De drie hoofdfiguren in de Marsyas-komedie – naast de titelfiguur en Apollo is er de waternimf Deiopeia, om wie de strijd ontbrandt – hebben elk hun eigen thema, terwijl andere motieven staan voor meer abstracte begrippen. In het Voorspel (I), de Entr’acte (II) en de Finale (VI) tekenen deze motieven zich af tegen een weelderig symfonisch decor. In de delen met tekst, die steeds voor spreekstem en niet voor zangstem zijn gezet (II, III en VI), is de begeleiding juist terughoudend.

Het Voorspel (Andante moderato) is een evocatie van een lenteochtend – Het naderen van de lente en daarmede het ontwaken van den satyr Marsyas uit zijn winterslaap volgens een programmatoelichting van Balthazar Verhagen. (BD VII:532) De muziek die veelvuldig in pp-sferen verkeert, ontleent zijn dromerige, statische karakter aan een reeks orgelpunten. Mogelijk is Diepenbrock beïnvloed geweest door de natuurimpressie waarmee Mahlers Eerste Symfonie (Langsam. Schleppend. Wie ein Naturlaut) begint. In het Voorspel worden verschillende motieven geïntroduceerd, waaronder – in de klarinet en de basklarinet – een guitige sprong opwaarts die vervliedt in een snel dalende, chromatische lijn. In hobo en althobo klinkt het triest aandoende motief bes-gis-a-e, door de componist aangemerkt als het eigenlijke motief van de bron: “in het water is een ziel gekomen door de traan van den faun.” (BD VI:206) Verbonden met de saters en nimfen is een huppelend figuurtje in hobo’s, fagotten en castagnetten dat de entree van Marsyas voorbereidt, herkenbaar aan een motief van vier noten met opspringende reine kwart. Het Apollo-thema tenslotte (een monumentale akkoordopeenvolging in hoorns en harp), waarop in het voorspel slechts wordt gezinspeeld, zal pas volledig tot klinken komen in de Epiloog (VI).

Refererend aan het schilderij dat Verhagen tot zijn verhaal had geïnspireerd, omschreef Diepenbrock dit motief aldus: Mijn bedoeling was de uitdrukking van trots en hooghartigheid, die Rafaël aan Apollo heeft gegeven, in tonen uit te drukken. (BD VI:207) In 1976 noemde Eduard Reeser de bijzondere aanpak van dit gegeven een van de origineelste vondsten die Diepenbrock in zijn Marsyas-muziek te pas heeft gebracht:

Het thema wordt namelijk in het verloop van de handeling bij stukjes en beetjes opgebouwd. Waar de god in levende lijve verschijnt, weerklinkt alleen de eerste helft van het thema, telkens met een andere afsluiting; eerst in de epiloog worden de bestanddelen van de tweede helft van het thema geleidelijk ontwikkeld, doch pas in het naspel verschijnt het thema eindelijk voor de eerste maal in voltooide vorm!4

Klankkleur en instrumentatie

Vanwege de krappe financiële middelen van het gezelschap van Royaards moest Diepenbrock zich beperken tot een bezetting van maximaal dertig musici. Van de koperen blaasinstrumenten koos hij louter een drietal hoorns. Niettemin spreekt uit de partituur van Marsyas, of De betooverde bron een fascinatie voor klankkleur en instrumentatie. Al enkele jaren voor aanvang van dit werk was Diepenbrock op zoek naar een nieuwe orkestrale stijl, daartoe mede gestimuleerd door de kennismaking met werken als Salome en Elektra van Richard Strauss (in 1907 resp. 1910) en de Zevende Symfonie van Mahler (in 1909). Belangrijker nog voor de Marsyas-muziek was Diepenbrocks groeiende interesse in de muziek van Claude Debussy. Van de Prélude à l’après-midi d’un faune, het eerste orkestwerk van zijn Franse tijdgenoot dat Diepenbrock in 1904 had gehoord, maakte hij in het najaar van 1909 – dus na de eerste schetsen voor Marsyas – een pianouittreksel voor studiedoeleinden. Debussy’s opera Pelléas et Mélisande, waarover Diepenbrock zich na eerste kennismaking in maart 1907 teleurgesteld had getoond, was drie jaar later aanleiding voor de volgende ontboezeming:

Nu ik de orkestpartituur in kleine uitgaaf heb, trekt het mij erg aan om daarin te lezen, en mij wat eigen te maken van zijn instrumentatie en stijl wat ik er mij eigen van kan maken. Ik geloof dat ik dat nu al kan merken. (BD VI:239)

Naar analogie van de mythe waarin Apollo de kithara en Marsyas de aulos bespeelt, is het in Diepenbrocks compositie de harp die de godheid vertegenwoordigt, terwijl de sater herkenbaar is aan de fluit. De strijkers (snaarinstrumenten stonden volgens traditionele Griekse opvattingen bovenaan in de hiërarchie) voeren de boventoon in de Entr’acte (II), waarin een motief met dubbelslag (con sordino gepresenteerd in violen en altviolen) de bouwsteen vormt voor een zich geleidelijk ontvouwend polyfoon weefsel. Anders dan het Voorspel is deze Entr’acte binnen zijn grote spanningsboog rijk aan tempo-overgangen en karakterwisselingen. Een uitgesponnen Andante con moto (poco sostenuto) in b-klein en een più mosso, poco agitato bereiden de verschijning van de nimf Deiopeia voor, met haar cantabile thema in de soloviool in E-groot. Aan het einde van deel II volgt een lange monoloog van Marsyas, waarin hij Apollo uitdaagt. De combinatie van spreekstem en muziek, die Diepenbrock hier voor het eerst toepast, is hem waarschijnlijk door Willem Royaards gesuggereerd.

Twijfels

Zowel componist als tekstdichter bekropen soms ernstige twijfels over het welslagen van dit gezamenlijke project. Zo schreef Diepenbrock in maart 1910 aan Verhagen dat de komedie “mischien nog beter zou voldoen zonder de muziek”. (BD VI:242) Verhagen op zijn beurt raadt de componist nog medio juli aan om de muziek bij de Epiloog maar weg te laten: Wij moeten er ook wel om denken, dat de epiloog toch al tamelijk lang is en door de muziek nog meer gerekt wordt. (BD VI:333) Ondanks alles schreef Diepenbrock naast de inhoudsopgave van de netschrift-partituur, die hij juist die maand voltooide, de hoopvolle woorden τῷ τέλει πίστιν φέρων – hetgeen betekent: vertrouwen hebbend in het einde (een citaat uit Sophocles’ Elektra).

Omdat Diepenbrock zich onvoldoende kon vinden in Verhagens tekst, bleef hij daarvoor alternatieven aandragen die zijn oud-leerling als beginnend auteur gewillig verwerkte.5 Zelf beargumenteerde Diepenbrock zijn ingrijpen in Verhagens tekst als volgt:

Neem me niet kwalijk dat ik zoo zit te peuteren aan je werk. Je weet dat het met de dubbele goede bedoeling gebeurt, het (naar mijn inzicht) beter te maken en je te helpen er mee klaar te komen. Dichten kan ik niet, maar als philoloog kan ik wel kritiseeren op détails en geloof dat ik je hierbij wel van dienst kan zijn. (BD VI:243)

Feit is echter dat Diepenbrock bij het componeren van de Marsyas-muziek aanvankelijk het libretto volkomen uit het oog is verloren en nauwelijks rekening heeft gehouden met de tekst als zodanig, met als gevolg het buitenproportioneel lange voorspel. Later wenste de componist de tekst telkens weer aan te passen aan zijn eigen opvattingen, waarbij vooral het slot, de Epiloog van Apollo, de toeschouwers moreel zou moeten verheffen. In maart 1910 schrijft Diepenbrock nog aan Verhagen dat hij diens ontwerp voor de epiloog te ingewikkeld en tegelijk te vaag vindt. (BD VI:236) Twee weken later suggereert hij hem een alternatieve tekst die bij de opvoeringen in het najaar van 1910 ook daadwerkelijk gebruikt is en in de autograafpartituur genoteerd staat. Na de première moest Diepenbrock toegeven: Het is waar dat de muziek als zij niet begeleidt weinig met het stuk heeft te maken […]. Daar is de mythe het uitgangspunt en niet V.’s stuk.(BD VII:51)

Opvoeringen

De première van Marsyas, of De betooverde bron door de N.V. Het Tooneel vond plaats op 4 oktober 1910 in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, waarna er nog elf voorstellingen met Diepenbrocks muziek volgden: zes herhalingen in Amsterdam; de overige in Rotterdam, Arnhem, Leiden, Den Haag en Haarlem. Met deze productie beoogde Willem Royaards een alomvattende enscenering in de stijl van de beroemde Duitse regisseur Max Reinhardt, bij wie hij had gestudeerd. Voor de decors en de kostuums was R.N. Roland Holst aangetrokken. De instudering van de nimfendansen was op voorstel van Diepenbrock toevertrouwd aan twee leerlingen van de Zwitserse dansvernieuwer Émile Jaques-Dalcroze (1865-1950). Zelf dirigeerde Diepenbrock een ensemble van dertig leden van het Concertgebouworkest.

De moeilijkheden die de Marsyas-opvoeringen overschaduwden, zijn deels terug te voeren op de merkwaardige gang van zaken bij de totstandkoming. Dat het vooral in de lange, door Royaards aanvankelijk te gerekt voorgedragen Epiloog – waarvan de tekst deels ná de muziek is ontstaan – ontbrak aan een goede coördinatie van gesproken woord en muziek, is de recensenten niet ontgaan. Zo schreef Daniël de Lange in Het Nieuws van den Dag dat men Apollo’s zedepreek aan het einde van het werk als eene ontgoocheling [mocht] beschouwen. (BD VII:493). De oorzaak van de coördinatieproblemen was volgens Gerard Brom, in De Opregte Haarlemsche Courant, het vereiste spreektempo:

Apollo is helaas in zijn zeggen gebonden aan een langzaam tempo door de uitgesponnen muziek, waaraan wij ook zijn vervelende gepreek aan ’t einde hebben toe te schrijven, omdat de componist aan de schrijver een sententieus slot als synthese erbij vroeg. (BD VII:499)

Het hier gesignaleerde, fundamentele probleem, namelijk dat het niet-gefixeerde melodrama de uitvoerenden geen enkel houvast bood, heeft Diepenbrock gaande de opvoeringen weliswaar onderkend, maar hij was niet in staat om dit bevredigend op te lossen, zoals te lezen is in de brief die hij na de laatste voorstelling aan Johanna Jongkindt schreef:

Het orkest heeft mooi gespeeld, een paar fouten zijn er nog gemaakt, maar over ’t geheel was ’t heel mooi. Royaards heeft den epiloog nu veel gauwer gezegd, daardoor was hij minder preekerig, maar kwamen er groote gaten in, natuurlijk omdat hij de pauzen niet maakt op het juiste oogenblik. (BD VII:74)

Omdat de meeste muziekrecensenten niet goed raad wisten met de nog vrijwel onbekende Dalcroze-dansstijl die ten tonele werd gevoerd, hebben zij daaraan nauwelijks aandacht besteed. Alleen de classicus dr. J. de Jong meende – volgens zijn bespreking in Het Vaderland – dat hier een lichtend voorbeeld gesteld was:

Hier vormde Diepenbrock’s vloeiende en bij alle opgewektheid voorname muziek met de lichte en sierlijke bewegingen der zeer artistiek gecostumeerde danseressen een geheel zooals dat niet dikwijls wordt verkregen. Hoe ver was men hier van het gewone en verouderde opera-ballet! Ik had wel gewenscht dat onze opera-directeuren aanwezig waren geweest, om zich te overtuigen, hoeveel schoons uit een chore[o]graphisch oogpunt met een klein aantal ballerines kan worden tot stand gebracht, wanneer goede smaak niet door conventie wordt belemmerd. De nimfendans, door de dames A. Beck en M. Adama van Scheltema, leerlingen van Dalcroze, ingestudeerd en voortreffelijk uitgevoerd, zal zeker menigeen tot de kunst van Terpsichore hebben bekeerd. (BD VII:522)

Uitvoering als suite

Het feit dat vrijwel alle recensenten meenden dat de muziek uiteindelijk het meest waardevolle element vormde van Marsyas, sterkte Diepenbrock in zijn streven naar een concertuitvoering door het Concertgebouworkest. Al in februari 1911 dirigeerde de componist het orkest tweemaal in de Voor-, tussen- en naspelen uit Marsyas, of De betooverde bron, waarmee de basis werd gelegd voor de orkestsuite die sindsdien met grote regelmaat is gespeeld en die in 1927 werd gepubliceerd.

Van de recensenten heeft Matthijs Vermeulen zich het meest intensief met de muziek voor Marsyas beziggehouden. Als een sensatie van hemelse aard,6 zo had hij op 22-jarige leeftijd de première in oktober 1910 beleefd. Zijn eerste uitvoerige impressie daarvan in De Tijd van 6 oktober trok Diepenbrocks aandacht, waarna Vermeulen dit artikel in samenspraak met de componist omwerkte tot een gedegen analytische beschouwing over de Marsyas-muziek met ruim twintig muziekvoorbeelden in het weekblad De Amsterdammer. (BD VII:510-519) Na de eerste concertuitvoering op 16 februari 1911 verwoordde Vermeulen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant de publieke geestdrift voor de compositie aldus:

Het leek eene ovatie en beduidt voor deze kunst, met de Fransche richting eng verwant, doch op end’ op verpersoonlijkt, een nieuwe triomf. De compositie, door en door illustratief gedicht, tot zelfs in de voorspelen toe, heeft bewezen in de concert-zaal niet minder te kunnen boeien dan in Roland Holst’s Arcadische atmosfeer van boomen, bron, lente en licht. Dit zal wel hieraan liggen, dat Diepenbrock het sentiment van Balthazar Verhagens comedie, van plaats èn handeling, zoo geniaal wist te condenseeren in geluiden, orchestraal, motievisch en harmonisch tegelijk. De natuur-weelde van het ontbloeiende woud (entr-act) uitklinkend in breede violen-melodieën, is zoo intensief doorvoeld en meesterlijk bewerkt, dat ik bij ’t hooren immer bosch ruik en bloemen; de nymphen-dans zoo fijn gevonden, dat gracie en melodie hier een verrukking zijn op zich zelf [...].” (BD VII:535)

Désirée Staverman

1 Volgens de souffleursboeken Nederlands Theater Instituut (21 C 18). Editie in sterk herschreven vorm: B. Verhagen, Marsyas of De betooverde Bron, in De Tijdspiegel 27 (1915), 1-29; 97-124; 193-226.

2 Het paneel, dat waarschijnlijk van de hand van Perugino is, werd in 1883 door het Louvre aangekocht. Zie F. Haskell, ‘A Martyr of Attributionism: Morris Moore and the Louvre Apollo and Marsyas’, in Past and Present in Art and Taste. Selected Essays (New Haven: Yale U.P. 1987), 155-174.

3 Bij de eerste akte van Verhagens komedie heeft Diepenbrock geen muziek geschreven.

4 E. Reeser, ‘Marsyas, of De betooverde bron’, programmatoelichting in Ouverture 11/2 (1976), 33.

5 Naderhand beschouwde Verhagen de in 1910 bij de voorstellingen gebruikte tekst als achterhaald. Voor het in 1922 verschenen piano-uittreksel heeft hij voor Apollo’s Epiloog een geheel nieuwe tekstversie geschreven.

6 Brief aan Thea Diepenbrock, 24-07-1945; zie Ton Braas, Door het geweld van zijn verlangen. Een biografie van Matthijs Vermeulen (Amsterdam 1997), 40.

 



  • A-65 Marsyas, of De betooverde bron

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83
    • 84
    • 85
    • 86
    • 87
    • 88
    • 89
    • 90
    • 91
    • 92
    • 93
    • 94
    • 95
    • 96
    • 97
    • 98
    • 99
    • 100
    • 101
    • 102
    • 103
    • 104
    • 105
    • 106
    • 107
    • 108
    • 109
    • 110
    • 111
    • 112
    • 113
    • 114
    • 115
    • 116
    • 117
    • 118
    • 119
    • 120
    • 121
    • 122
    • 123
    • 124
    • 125
    • 126
    • 127
    • 128
    • 129
    • 130
    • 131
    • 132
    • 133
    • 134
    • 135
    • 136
    • 137
    • 138
    • 139
    • 140
    • 141
    • 142
    • 143
    • 144
    • 145
    • 146
    • 147
    • 148
    • 149
    • 150
    • 151
    • 152
    • 153
    • 154
    • 155
    • 156
    • 157
    • 158
    • 159
    • 160
    • 161
    • 162
    • 163
    • 164
    • 165
    • 166
    • 167
    • 168
    • 169
    • 170
    • 171
    • 172
    • 173
    • 174
    • 175
    • 176
    • 177
    • 178
    • 179
    • 180
    • 181
    • 182
    • 183
    • 184
    • 185
    • 186
    • 187
    • 188
    • 189
    • 190
    • 191
    • 192
    • 193
    • 194
    • 195
    • 196
    • 197
    • 198
    • 199
    • 200
    • 201
    • 202
    • 203
    • 204
    • 205
    • 206
    • 207
    • 208
    • 209
    • 210
    • 211

    A-65 with quotation on the fly leaf “τῷ τέλει πίστιν φέρων” and dated on the last page Sept 1909 – Febr 1910. / Juni en Juli 1910 Amsterdam

    • 1909-09-01 00:00:00.0 – 1910-02-28 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 211
  • A-66 Marsyas, of De betooverde bron

    semi-autograph A-66 dated on the last page Amsterdam Sept 1909. Juni 1910

    • 1909-09-01 00:00:00.0 – 1910-06-30 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-5 Marsyas, of De betooverde bron (piano score)

    B-5 dated on the fly leaf Sept 1909 – Febr 1910

    • 1909-09-01 00:00:00.0 – 1910-02-28 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-6 Marsyas, of De betooverde bron

    copy score B-6

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • C-10(p72-74) Marsyas, of De betooverde bron

    sketches C-10(72-74) dated on the first page 8 Sept 1909

    • 1909-09-08 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • C-11 t/m C-14 Marsyas

    sketchbooks C-11 until and including C-14, dated 1909 9 Sept begonnen Marsyas up to 7 February 1910

    • 1909-09-09 00:00:00.0 – 1910-02-07 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • C-15 t/m C-17 Marsyas, of De betooverde bron

    C-15, C16 and C-17 with dates in June and July 1910

    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

Marsyas Concert Suite uitgevoerd door het Residentie Orkest o.l.v. Hans Vonk



4 okt 1910: Eerste opvoering van Marsyas, of De betooverde bron, mythische comedie van Balthazar Verhagen met muziek van Alphons Diepenbrock door de N.V. “Het Tooneel” in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam. Decor en kostuums ontworpen door R.N. Roland Holst, dansen ingestudeerd door de dames A. Beck en Marie Adema van Scheltema; het orkest bestaande uit 30 leden van het Concertgebouw-Orkest onder leiding van de componist. Regie: Willem Royaards.

't Schijnt gewenscht over het muzikale gedeelte van deze Mythische Komedie afzonderlijk te spreken. Dit is niet doenlijk. De muziek in dit werk is slechts illustratie. En toch zou het geheel veel minder indruk maken, indien het zonder deze illustratie ten tooneele gevoerd werd. Omgekeerd zou de muziek haar beteekenis geheel verliezen, indien zij van het comediespel gescheiden werd. — Welken indruk het geheel maakte, kan men hierboven lezen, maar toch kan ik niet nalaten even stil te staan bij den totaal-indruk. Er zijn groote geesten geweest die aangekondigd hebben, dat in het begin van de twintigste eeuw het menschelijk denken en voelen, en ook verder geheel het leven een vlucht omhoog zouden beginnen. Dan zou thans de tijd daarvoor gekomen zijn. Bij het zien en hooren van dit wond're comedie-spel kon ik niet nalaten steeds aan die wond're verkondiging te denken. Dit werk drijft het denken en voelen der ontvangenden in eene richting aan welke wij tot hiertoe niet gewoon waren. Als vanzelf wordt voor den hoorder en toeschouwer het voorgestelde als 't ware slechts een symbool, achter welk symbool de eigen fantasie een gewaarwording schept. En die in eigen binnenste ontstane gewaarwording is de eigenlijke beteekenis van het comedie-spel, dat ons stoffelijk oog op het tooneel heeft zien afspelen. In verband hiermede zijn er twee opmerkingen te maken en wel deze: ten eerste is het jammer dat bij een groot deel van het werk geen muzikale klanken gehoord worden; ten tweede mag men Apollo's zedepreek aan het einde van het werk als eene ontgoocheling beschouwen. — Wat de eerste opmerking betreft; mag men op den voorgrond stellen, dat de bedoeling van den dichter geweest is, te trachten zijn toeschouwers aan het gewone denken te ontrukken, om ze, zoo mogelijk, in eene soort van extatischen toestand te plaatsen. Indien nu muzikale klanken den invloed van het woord komen versterken, dan moeten zij onafgebroken hun mystieken invloed blijven oefenen. Niet altoos behoeft de componist pogingen te doen bij de scène op 't tooneel een passend stukje muziek te schrijven, het uithouden van een enkelen toon, een tremolo met lage clarinettonen (zie finale tweede bedrijf Freischütz), of iets van dien aard is voldoende; de muzikale klank moet ons oor blijven vullen. In deze muziek is 't zuiver en alleen om het klankeffect te doen. Zelfs de mogelijkheid van een logischen muzikalen opbouw is buitengesloten. Zoodra nu de muziek ophoudt ontbreekt voor een deel de betoovering onder welke de ziel van den hoorder gekomen was. Voor 't overige schijnt 't mij als zou Diepenbrock er op geniale wijze in geslaagd zijn dit fijne, ideaal gevoelde werk met klanken te omhullen. Ik zou zelfs nog een stap verder willen gaan en verklaren, dat eerst in dit werk Diepenbrock de plaats gevonden heeft waar zijn zeer eigenaardige muzikale kunst tot volle ontwikkeling zal kunnen komen. Deze, zijne kunst, toch wordt niet geschraagd door een vasten zuiver muzikalen ondergrond, zooals dit bij Bach of Beethoven het geval is; hij geeft eenvoudig zijne zielsstemmingen weer, zooals zij in zijn binnenste opwellen, onbekommerd om den bouw. Gesteund door den bouw van het drama, kan dit vrije, phantasieachtige geen gevaar opleveren. En zoo genoten wij volop van de verrassend schoone klanken, die, evenals de woorden en nog meer de betooverende kleuren-harmonieën, onze ziel deden ontwaken, scheppend beelden in haar die niet van deze wereld zijn. — Zeker zullen wij dit wond're spel nog menigmaal gaan zien, misschien zal er aanleiding zijn nogmaals er over te spreken, nu echter reeds mag men verklaren, dat het opvoeren van dit werk een daad van groote beteekenis is en niet voor het schouwspellievend publiek alléén.

Het Nieuws van den Dag (Dan. de Lange), 5 oktober 1910

pdf All reviews for RC 101 Marsyas, of De betooverde bron