english | nederlands

RC 65* Iris (“Ik ben geboren uit zonnegloren”)

unfinished work

text source

Gedichten van Jacques Perk. Met voorrede van Mr. C. Vosmaer en inleiding van Willem Kloos (Sneek: H. Pijttersen Tz 1882), 147-149
  • Iris (“Ik ben geboren uit zonnegloren”)
  • Perk, Jacques
  • solo voice and orchestra
  • 1903-11-16 00:00:00.0

In spring 1903 Diepenbrock orchestrated the two songs for tenor on texts by Jacques Perk (1859-1881), which he had composed in April 1885 and March 1900: Avondzang (Evening Song, RC 13/59) and Zij sluimert (She Slumbers, RC 51/60). Later that year Avondzang is mentioned several times in Diepenbrock’s correspondence with his friends W.G. Hondius van den Broek and J.C. Hol. In this context it is not surprising that, after completing his symphonic song Vondel’s vaart naar Agrippine (Vondel’s Voyage to Agrippine, RC 64), Diepenbrock once again focussed on this poet who died at a young age and whom he considered to be one of the greatest of his generation. And although for a long time the composer had been planning to compile a cycle of Sonnets by Perk and turn it into a piece for voice and orchestra (BD V:276), he now took up the 64-line poem Iris. …more >

Iris (incipit)


In spring 1903 Diepenbrock orchestrated the two songs for tenor on texts by Jacques Perk (1859-1881), which he had composed in April 1885 and March 1900: Avondzang (Evening Song, RC 13/59) and Zij sluimert (She Slumbers, RC 51/60). Later that year Avondzang is mentioned several times in Diepenbrock’s correspondence with his friends W.G. Hondius van den Broek and J.C. Hol. In this context it is not surprising that, after completing his symphonic song Vondel’s vaart naar Agrippine (Vondel’s Voyage to Agrippine, RC 64), Diepenbrock once again focussed on this poet who died at a young age and whom he considered to be one of the greatest of his generation. And although for a long time the composer had been planning to compile a cycle of Sonnets by Perk and turn it into a piece for voice and orchestra (BD V:276), he now took up the 64-line poem Iris.

Its topic is the unattainable lover: Iris, the personification of the rainbow “born from the rays of the sun and a sigh of the seething sea”, longs to be together with Zephyr, but every time she manages to summon him from the sea, it is the gust of wind of his laugh that blows her away and drives her off to the realm of dreams where she can mourn her lover in solitude.

The section that Diepenbrock wrote down on 16 November 1903 consists of 13 measures. It has a syllabic melody in which the ascending minor sixth is the main interval. The accompaniment is mainly chordal. Diepenbrock would have had strings in mind for the tremolo in m. 3 and possibly a harp for the final measure.

Ton Braas



Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee.
Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven
Als dauw aan de roos, die ontlook,
Wen de dagbruid zich baadt en voor ’t schuchter gelaat
Een waaier van vlammen ontplook.

Met tranen in ’t oog, uit de diepte omhoog,
Buig ik ten kus naar beneden:
Mijn lichtende haren befloersen de baren
En mijn tranen lachen tevreden:
Want diep in zee, splijt de bedding in twee,
Als mijn kus de golven doet gloren...
En de aarde is gekloofd en het lokkige hoofd
Van Zefier doemt lachend te voren.
Hij lacht... en zijn zucht jaagt, mij arme, in de lucht,
En een boog van tintlende kleuren
Is mijn spoor, als ik wijk naar het dromerig rijk,
Waar ik eenzaam om Zefier kan treuren.
Hij mint me als ik hem... maar zijn lach, zijn stem,
Zijn kus... is een zucht: wij zwerven
Omhoog, omlaag; wij willen gestaâg,
Maar wij kunnen nóch kussen, nóch sterven. –

De sterveling ziet mijn aanschijn niet,
Als ik uitschrei, hoog boven de wolken,
En de regenvlagen met ritselend klagen
Mijn onsterflijken weedom vertolken,
Dan drenkt mijn smart het dorstende hart
Van de bloem, die smacht naar mijn leed,
En met dankenden blik naar mij opziet, als ik
Van weedom het wenen vergeet.
En dán verschijn ik door het ’t nevelgordijn
Dat mijn Zefier verscheurt, als hij vliegt –
Somber gekromd... tot de zonneschijn komt
En op ’t rag mijner wieken zich wiegt.
Dan zegt op aarde, wie mij ontwaarde:
“De goudene Iris lacht!”...
En stil oversprei ik de vale vallei
Met een gloed van zonnig smaragd. –

Mijn handen rusten op de uiterste kusten
Der aarde, als, in roerloos peinzen,
– Eén bonte gedachte – ik mijn liefde verwachtte...
Die mij achter de zon zal doen deinzen.
’k Zie ’s nachts door mijn armen de sterren zwermen
En het donzige wolkengewemel,
En de maan, die mij haat en zich koestert en baadt
In de zilveren lach van den hemel. –
Mijn pauwepronk... is de dos, dien mij schonk
De zon, om den stervling te sparen,
Wien mijn lichtlooze blik zou bleeken van schrik
En mijn droeve gestalte vervaren.
Nu omspan ik den trans met mijne armen van glans,
Tot mij lokt Zefier’s wapprend gewaad,
En ik henen duister naar 't oord, waar de luister
Der lonkende zon mij verlaat. –

Ik ben geboren uit zonnegloren
En een vochtige zucht van de zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van ’t wereldsche wee. -
Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
Het leven verlangende slijt,
En die in tranen zijn vreugde zag tanen...
Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!


  • C-4(14-15) Iris

    C-4(p.14-15) dated on the first page 16 Nov. 03

    • 1903-11-16 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown