english | nederlands

RC 146 Muziek bij Sophocles’ Electra

text source

Elektra, drama van Sofokles, transl. by P.C. Boutens (Amsterdam: De maatschappij voor goede en goedkoope lectuur 1921)

first performance

1920-11-12 00:00:00.0 ’s-Gravenhage (Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen)

publications

  • Elektra / Tragédie de Sophocle / Musique de scène / composée par / Alphons Diepenbrock, full score (A.D.F. 32) Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 15513983
  • Elektra / Tragedie van Sofokles, piano score Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 15513983
  • Elektra, symphonic suite Donemus 20320613
  • Elektra, symphonic suite (revised version) Donemus 20320613

  • Muziek bij Sophocles’ Electra
  • Sophocles / P.C. Boutens
  • 1919-12-02 00:00:00.0 - 1920-03-13 00:00:00.0
  • duration ca. 50:00

Toen Diepenbrocks Muziek bij Sophocles’ Electra1 in november 1920 in première ging, was de componist al ernstig ziek. Hij heeft zijn laatste werk niet meer kunnen horen. Het was regisseur Willem Royaards (1867-1929) die Diepenbrock in het najaar van 1919 had verzocht toneelmuziek te schrijven bij de tragedie, ten behoeve van een voorstelling onder auspiciën van de Haagsche Volksuniversiteit. (BD X:137, 149, 151) …more >

Electra - I (incipit)
Electra - II (incipit)
Electra - III (incipit)
Electra - IV (incipit)
Electra - V (incipit)


Toen Diepenbrocks Muziek bij Sophocles’ Electra1 in november 1920 in première ging, was de componist al ernstig ziek. Hij heeft zijn laatste werk niet meer kunnen horen. Het was regisseur Willem Royaards (1867-1929) die Diepenbrock in het najaar van 1919 had verzocht toneelmuziek te schrijven bij de tragedie, ten behoeve van een voorstelling onder auspiciën van de Haagsche Volksuniversiteit. (BD X:137, 149, 151)

Tijdens de voorbereidingsfase uitte Diepenbrock grote bezwaren tegen de nieuwe Nederlandse vertaling die de dichter en classicus P.C. Boutens (1870-1943) op verzoek van Royaards had vervaardigd.2 Daarom weigerde de componist aanvankelijk zijn medewerking en adviseerde hij Royaards per brief van 20 november 1919 zelfs om de tragedie zonder muziek op te voeren. Volgens Diepenbrock, immers zelf ook classicus, versluierde het gekunstelde taalgebruik van Boutens’ vertaling veelal de betekenis van de oorspronkelijke tekst:  Het is al te anti-Helleensch [...] en past op Sophocles als een varken op een tang. (BD X:157) Desondanks heeft hij al begin december de eerste schetsen voor deze toneelmuziek genoteerd en daarna ging het snel.

Het compositieproces van de Muziek bij Sophocles’ Electra is aan de hand van de data in vier overgeleverde schetsboekjes grotendeels te reconstrueren. Diepenbrock blijkt het leeuwendeel daarvan in januari 1920 in tien dagen tijd te hebben ontworpen in zijn buitenhuisje in Laren. De vaart waarmee hij werkte, verraadt dat hij eigenlijk niets liever wilde dan de tekst op muziek zetten. Behalve dat Diepenbrock van jongs af aan een grote voorkeur voor deze tragedieschrijver had, speelde er nog een beweegreden mee. Sinds Diepenbrocks kennismaking met de opera Elektra van Richard Strauss, waarvan hij op 12 februari 1910 de Nederlandse première in Den Haag had bijgewoond, had hij ambivalente gevoelens jegens dat werk, die vooral samenhingen met de gebruikte tekst, het libretto van Hugo van Hofmannsthal. Royaards’ opdracht stelde Diepenbrock in de gelegenheid om met zijn toneelmuziek den echten Sophocles te onthullen. (BD X:279)

Omdat de première van Electra (aanvankelijk gepland voor het voorjaar van 1920) wegens een landelijke toneelstaking moest worden uitgesteld naar november, kreeg Diepenbrock ruim tijd voor de instrumentatie, waaraan hij in april 1920 begon. Zijn bezwaren tegen de vertaling waren intussen allerminst verdwenen, zoals te zien is in de in september voltooide partituur: de Boutens-vertaling is op diverse plaatsen aangepast, vooral in de tekst van de reien – een ingreep waartoe Diepenbrock zich als het ware gedwongen voelde: De vertaling is mij zoo goed als onbruikbaar gebleken. Enkele stukken zijn schitterend, de rest is onverteerbaar gebral en onnatuur. (BD X:279)

Overzicht van de delen

Diepenbrocks Muziek bij Sophocles’ Electra bestaat uit negen delen. Alle gekozen tekstfragmenten zijn als melodrama behandeld, inclusief de reien die in de antiek-Griekse traditie met muziek en dans werden uitgevoerd. Behalve deze koorliederen (de beurtzang van deel II, de delen III, IV en V in hun geheel, de beurtzang van VIII, en de complete epiloog IX), zijn ook het begin van de Proloog (I), Electra’s Threnos (II), de Scène met de urn (VI) en de Herkenningsscène (VII) op muziek gezet. Bij de reien noteerde Diepenbrock steeds de aanwijzing ‘met dans’, aangezien dit essentiële aspect van de Griekse tragedie niet mocht ontbreken.

Het orkestrale voorspel – een introductie vol dreiging op het drama dat zich gaat voltrekken – bestaat uit drie gedeelten (Andante agitatoGrave maestosoGrave, sostenuto, agitato) waarin de voornaamste thema’s worden geëxposeerd die in het verloop van deze toneelmuziek aan bod komen. Een aantal hiervan is gekoppeld aan de personages van Elektra en Orestes; andere, zoals het ‘Orakel van Apollo’ (langs een parcours van kleine tertsen stijgende drieklanken die de gerechtigheid verbeelden) en het ‘Noodlotsthema van de Atriden’ (dalende chromatiek in een bijtend ritme – zie m. 32), staan symbool voor de hogere machten die het tragische gebeuren beheersen. Deze benamingen liet de componist Elisabeth Diepenbrock in 1921 optekenen (zie BD X:327-328).

De Muziek bij Sophocles’ Electra dankt veel van haar specifieke klankkleur aan de weloverwogen blazersbezetting, waarin trompetten en trombones (die bovengenoemd ritmisch markante ‘Noodlotsthema van de Atriden’ intoneren) een hoofdrol spelen, en hoorns en fagotten ontbreken. Volgens de componist was er voor hun klankkleur geen plaats in het werk. (BD X:327) Diepenbrock laat de spreekstem, zoals eerder in Lydische nacht (RC 118), regelmatig begeleiden door de paarsgewijs ingezette oboe d’amore en althobo, veelal in statige (maestoso) beweging. Overal waar in de tekst wordt verwezen naar Elektra, weeklagend over de moord op haar vader, treffen we dit duo aan.

Bij opvoeringen van zijn vroegere toneelmuziek die Diepenbrock zelf dirigeerde, had hij het orkest steeds in een bak met overkapping moeten laten spelen. Om te voorkomen dat dit opnieuw het geval zou zijn, schreef hij in oktober 1920 een uitvoerige brief aan Jacqueline Royaards over zijn juist voltooide compositie. Daarin betoogde hij dat de Muziek bij Sophocles’ Electra, anders dan zijn overige toneelmuziek, niet als begeleidend beschouwd dient te worden, maar dat zij de grondgedachte v/h stuk vertolkt. Hij stelde dan ook voor om een flexibele kap te construeren die pas na de orkestrale proloog en de eerste rede van De Opvoeder gesloten zou worden en tegen het einde van het stuk weer geopend, opdat het orkest in het korte naspel zijn volle kracht kan ontwikkelen. (BD X:282)

Beperkte middelen

Diepenbrock had de instrumentatie van zijn Muziek bij Sophocles’ Electra, met zeven houtblazers, zes koperblazers, harp, strijkers en slagwerk, oorspronkelijk ontworpen voor “een fractie van ± 40 leden” van het Residentie Orkest. (BD X:285) Maar Royaards was wegens zijn beperkte financiële middelen genoodzaakt voor de eerste serie voorstellingen het nieuwe Stadsschouwburg-Orkest van Richard Heuckeroth te contracteren. Omdat dit nog onervaren orkest slechts 25 musici telde en Diepenbrock bovendien zelf niet meer in staat was om te dirigeren, was hij met recht bezorgd over de kwaliteit van de uitvoering.

Bij de première van Electra, op 12 november 1920 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag, werd de tekst – tot verontwaardiging van de aanwezige vertaler – gezegd met de wijzigingen van Diepenbrock. Hoewel Boutens eiste dat men zich in het vervolg letterlijk aan zijn verzen zou houden (BD X: 298-299), is bekend dat Diepenbrocks varianten ook na 1920 nog regelmatig zijn gebruikt. In meerdere opzichten liet de première te wensen over. Er kwam geen goede balans tot stand tussen gesproken woord en muziek. Daarbij was – volgens de teleurgestelde regisseur – naast de open opstelling van het orkest de ontzaggelijke ruimte van het gebouw een factor van belang. (BD X:309) Uit een recensie blijkt dat in die moeilijke omstandigheden de helft van de tekst verloren ging. (BD X:466)

Ook na de eerste Amsterdamse opvoering, op 20 november in de Stadsschouwburg, die volgens Royaards toch aanmerkelijk beter geslaagd was en hem tot de overtuiging had gebracht dat de samenstemming van Diepenbrocks muziek met het gesproken woord niet onmogelijk was (BD X:310), is deze kritiek niet geheel verstomd. Zo oordeelde de toneelcriticus van De Tijd:

Maar zoodra de muziek zich een eigene plaats aanmatigt naast of boven den auteur, zoodra de muziek, ten koste van het gesprokene woord […] de aandacht van het publiek voor zich vraagt, is het mis, want ten nadeele van, dus tegen de geest van het tooneelwerk.

De conclusie was dat hier geen twee-eenheid van het woord en de muziek  was geschapen. (BD X:473) Toch waren er ditmaal diverse positieve reacties. Vooral de waardige declamatie van acteur Louis van Gasteren als De opvoeder aan het begin van de tragedie is daarbij opgevallen:

Het statige tempo (mede vereischt door de muziekale begeleiding) noopte van Gasteren tot een wel zéér langzaam zeggen van hetgeen de opvoeder meedeelt, maar hoe voortreffelijk was hij overigens en hoe mooi is, ook voor de tragedie-verhevenheid zijn stem!3

Ook Jacqueline Royaards-Sandberg, die de reien nog met Diepenbrock zelf had ingestudeerd (BD X:293), bleek in staat tot een goede coördinatie van gesproken woord en muziek, zoals H.J. den Hertog in De Amsterdammer aangaf: Hoe zuiver Jacqueline Royaards op tal van plaatsen de rhythmiek trof, kan geen enkelen muzikalen toehoorder zijn ontgaan. (BD X:479)

Maar het realiseren van scenische beweging, waaraan Diepenbrock zozeer hechtte, bleek, evenmin als bij de opvoering van Faust (RC 141) in 1918, een eenvoudige opgave. Nadat regisseur en componist vergeefs hadden getracht om de destijds bekende danseres Lili Green (1885-1977) te engageren, werd de jonge Hedy Lany aangetrokken om de rol van de driekoppige “Rei van aanzienlijke Mykeensche vrouwen” visueel gestalte te geven.

Concertuitvoeringen

Op 3 april 1921 verzorgde het Concertgebouworkest onder leiding van Richard Heuckeroth een concertuitvoering van de Muziek bij Sophocles’ Electra. Hoewel het weglaten van de tekst volgens velen een gemis was, ging met deze uitvoering een vurige laatste wens van Diepenbrock in vervulling. Hij overleed twee dagen later.

Vanaf 1926 ontstond de gewoonte om fragmenten uit de Muziek bij Sophocles’ Electra (zonder deel IV en VII) in de concertzaal uit te voeren. Daarbij werd de declamatie aanvankelijk verzorgd door Jacqueline Royaards, die meegewerkt had aan de première, en vanaf 1934 door Joanna Diepenbrock (1905-1966), de oudste dochter van de componist. Joanna, die geen actrice was maar classica en zangeres, gaf niet alleen talloze uitvoeringen van de Electra-fragmenten met pianobegeleiding door haar zuster Thea Diepenbrock (1907-1995), ook trad zij een aantal malen in dit werk op met diverse Nederlandse orkesten en dirigenten.

In mei 1935 ging tijdens het Nederlandsch Muziekfeest de prestigieuze Elektra-enscenering van August Defresne (1893-1961) in première, waarbij het Concertgebouworkest gedirigeerd door Willem Mengelberg (die in dat jaar zijn 40-jarig jubileum als leider van dit gezelschap vierde) Diepenbrocks muziek uitvoerde. Deze volgens een sterk expressionistisch regieconcept opgezette voorstelling, met de destijds beroemde Charlotte Köhler (1892-1977) in de titelrol, ontpopte zich als een onverwachte publiekstrekker met tientallen herhalingen als resultaat. In overleg met de dirigent Eduard Flipse (1896-1973) stelde Eduard Reeser in 1952 de symfonische suite Elektra samen die sindsdien vaak is uitgevoerd.

Désirée Staverman

1 Diepenbrock hanteerde deze spelling in de namen Sophocles en Electra, Boutens daarentegen Sofokles en Elektra. Het Alphons Diepenbrock Fonds gebruikte in de uitgave van partituur (1932) en pianouittreksel (1935) de thans gangbare spelling.

2 Zowel de vertaling uit 1881 van de befaamde hellenist Henricus van Herwerden (1831-1910) als die van L.A.J. Burgersdijk (1828-1900), postuum uitgebracht in 1903, konden Royaards niet bekoren: “Wat Burgersdijk en van Herwerden daarvan gemaakt hebben, is heelemaal geen Sophocles.” (BD X:149)

3 F.L. (Frank Luns) in ‘Haagsche Kroniek’, Het Tooneel 6 (1920), 110.

 



  • A-76 Muziek bij Sophocles’ Electra

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83
    • 84
    • 85
    • 86
    • 87
    • 88
    • 89
    • 90
    • 91
    • 92
    • 93
    • 94
    • 95
    • 96
    • 97
    • 98
    • 99
    • 100
    • 101
    • 102
    • 103
    • 104
    • 105
    • 106
    • 107
    • 108
    • 109
    • 110
    • 111
    • 112
    • 113
    • 114
    • 115
    • 116
    • 117
    • 118
    • 119
    • 120
    • 121
    • 122
    • 123
    • 124
    • 125
    • 126
    • 127
    • 128
    • 129
    • 130
    • 131
    • 132
    • 133
    • 134
    • 135
    • 136
    • 137
    • 138
    • 139
    • 140
    • 141
    • 142
    • 143
    • 144
    • 145
    • 146
    • 147
    • 148
    • 149
    • 150
    • 151
    • 152
    • 153
    • 154
    • 155
    • 156
    • 157
    • 158

    A-76 signed and dated on the last page Holtwick 19 Sept 1920 / gecomp. 2 Dec 1919 – 13 Maart 1920

    • 1919-12-02 00:00:00.0 – 1920-03-13 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 158
  • B-14 Muziek bij Sophocles’ Electra

    B-14 (score in pencil) dated on the last page 13 Maart 1920

    • 1920-03-13 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • C-33 t/m C-36 Muziek bij Sophocles’ Electra

    sketchbooks C-33 until and including C-36, dated 3-5, 10 December 1919 and 4, 6, 13-16, 18, 21-24 January 1920

    • 1919-12-03 00:00:00.0 – 1920-01-24 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • Map XII Muziek bij Sophocles’ Electra

    map XII = fragments score dated 11, 28 December 1919 and 21 January 1920; fragments piano score dated 15, 20 February 1920

    • 1919-12-11 00:00:00.0 – 1920-02-20 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

Electra Suite (arr. Eduard Reeser) dl. 3 Lento uitgevoerd door het Utrechts Studenten Concert o.l.v. Bas Pollard (live recording - 05/06/2009 Vredenburg Leidsche Rijn)

Electra Suite (arr. Eduard Reeser) dl. 1 Andante agitato uitgevoerd door het Utrechts Studenten Concert o.l.v. Bas Pollard (live recording - 05/06/2009 Vredenburg Leidsche Rijn)

Electra Suite (arr. Eduard Reeser) dl. 4 Allegro agitato uitgevoerd door het Utrechts Studenten Concert o.l.v. Bas Pollard (live recording - 05/06/2009 Vredenburg Leidsche Rijn)

Electra Suite (arr. Eduard Reeser) dl. 2 Presto (tempo di scherzo) uitgevoerd door het Utrechts Studenten Concert o.l.v. Bas Pollard (live recording - 05/06/2009 Vredenburg Leidsche Rijn)



  • Elektra / Tragédie de Sophocle / Musique de scène / composée par / Alphons Diepenbrock, full score (A.D.F. 32)

    1932 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)
  • Elektra / Tragedie van Sofokles, piano score

    1935 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)
  • Elektra, symphonic suite

    1952 Donemus Reeser, Eduard
  • Elektra, symphonic suite (revised version)

    1992 Donemus