english | nederlands

RC 27 Missa in die festo

text source

Ordinarium missae (Mass Ordinary)

first performance

1916-10-02 00:00:00.0 Utrecht (cathedral St. Catharina Church)

recordings

  • Anniversary Edition 8 Et'cetera KTC 1435 CD8

publications

  • Missa duobus choris vocum virorum cum organo concentu cantanda Algemeene Muziekhandel 23970689
  • Missa in die festo, Treasures of Dutch Choral Music Vol. 6 KVNM/Donemus/ADF 15318008

  • Missa in die festo (Missa in die festo)
  • tenor, dubbel mannenkoor en orgel
  • 1890-05-17 00:00:00.0 - 1891-07-23 00:00:00.0 | revised 1892-02-22 00:00:00.0 - 1894-03-13 00:00:00.0
  • duration 50

In zijn jeugdjaren had Diepenbrock een aversie ontwikkeld tegen de stijl van de missen voor mannenkoor en orgel van componisten uit de eerste helft van de negentiende eeuw als Johannes van Bree, Johannes Verhulst, G.A. Heinze en J.J. Viotta, waarmee de zondagsdienst werd opgesierd in de parochiekerk die hij bezocht. Op twintigjarige leeftijd maakte hij tijdens een festival van de Allgemeine Cäcilien-Verein te Münster kennis met kerkmuziek waarin de voorschriften waren toegepast van het Caecilianismus, de beweging die een wederopbloei beoogde van de liturgische muziek op basis van de Palestrina-stijl. Aanvankelijk had Diepenbrock sympathie voor de Cäcilianer maar spoedig zag hij in dat de gehanteerde principes over het algemeen resulteerden in composities die weliswaar uiterlijk de kenmerken van de muziek van de zestiende-eeuwse meester droegen, maar in kwaliteit en zeggingskracht tekort schoten. Zelf wilde hij verder gaan door moderne muzikale middelen, in het bijzonder de vernieuwende harmoniek van Richard Wagner, in de kerkmuziek te integreren. …more >

Kyrie (incipit)
Gloria (incipit)
Credo, Sanctus & Benedictus (incipit)
Benedictus & Agnus Dei (incipit)


In zijn jeugdjaren had Diepenbrock een aversie ontwikkeld tegen de stijl van de missen voor mannenkoor en orgel van componisten uit de eerste helft van de negentiende eeuw als Johannes van Bree, Johannes Verhulst, G.A. Heinze en J.J. Viotta, waarmee de zondagsdienst werd opgesierd in de parochiekerk die hij bezocht. Op twintigjarige leeftijd maakte hij tijdens een festival van de Allgemeine Cäcilien-Verein te Münster kennis met kerkmuziek waarin de voorschriften waren toegepast van het Caecilianismus, de beweging die een wederopbloei beoogde van de liturgische muziek op basis van de Palestrina-stijl. Aanvankelijk had Diepenbrock sympathie voor de Cäcilianer maar spoedig zag hij in dat de gehanteerde principes over het algemeen resulteerden in composities die weliswaar uiterlijk de kenmerken van de muziek van de zestiende-eeuwse meester droegen, maar in kwaliteit en zeggingskracht tekort schoten. Zelf wilde hij verder gaan door moderne muzikale middelen, in het bijzonder de vernieuwende harmoniek van Richard Wagner, in de kerkmuziek te integreren.

Diepenbrocks mis kwam tot stand in ’s-Hertogenbosch, waar hij in 1888 een aanstelling had gekregen als leraar klassieke talen. Een bron van inspiratie was de imposante gotische Sint Janskathedraal met de toen nog vrijwel ongerepte, eeuwenoude buurt eromheen. Nadat in mei 1889 het Ave Maria voor mezzo-sopraan en orgel (RC 23) was ontstaan en in september Jesu dulcis memoria voor bariton en piano of orgel (RC 24), begon Diepenbrock het jaar daarop aan zijn mis. De titelpagina van de eerste autograaf vermeldt 17 mei 1890 als aanvangsdatum van dit werk. Dat komt overeen met een opmerking die Diepenbrock, bijna terloops, plaatste aan het eind van de brief die hij zijn ouders op de avond van Tweede Pinksterdag (26 mei) schreef: Een week geleden ben ik begonnen een Mis te componeeren. (BD I:220)

Over wat hem bij het componeren voor ogen stond, vertrouwde hij, na een half jaar aan de partituur voor mannenkoor en orgel te hebben gewerkt, een studievriend het volgende toe:

In dit genre van kunst is er tegen de woorden en tegen de muziek zoo erbarmelijk gezondigd dat ik van mijn 10e of 12e jaar af al met het bijna onbewust plan rondliep om dat eens goed te doen. Het materiaal mannenstemmen en orgel is natuurlijk lang niet zoo rijk als gemengd koor en orkest; de heel grooten, hebben ook nooit missen voor mannenkoor gemaakt. Maar er worden in de kerken juist niet anders gezongen als voor mannenkoor met orgel; er is heel veel voor gecomponeerd en ook door groote lui, Liszt bijv. Nu, al die lui wil ik in één woord corrigeeren. Een betere mis maken dan die er tot dusver voor mannenkoor bekend zijn. Ik voel dat ik dat kan, alleen duurt het heel lang. Ik voel het oude, grandiose van die woorden die als pilaren 20 eeuwen lang in de gedachtecathedraal der menschen hebben gestaan, dieper dan een bataillon musici bij mekaar en de emoties van mijn zeer religieuse eerste jeugd, die nu zoo ver achter me ligt, zijn groot en mooi genoeg om dat gevoel nu nog tot klank te doen worden. (BD I:240)

Aan ideeën ontbrak het hem niet, al bleef de compositie soms geruime tijd liggen. Nog jaren later herinnerde hij zich: Nooit heb ik met zoo’n overgave en met zoo’n onbewusten tyrannieken drang meer iets gemaakt. (BD IV:22)

In zijn muzikale ambities werd Diepenbrock gesteund door zijn vriend, de Bossche schilder Antoon Derkinderen (1859-1925). Net als veel andere kunstenaars en intellectuelen van hun generatie waren zij vervuld van de idealen van ‘Gemeenschapskunst’ waarin – conform het romantische beeld dat men in die tijd van de Middeleeuwen had – een mystieke religiositeit centraal zou staan, die het volk op hogere gedachten zou brengen. Diepenbrock speelde Derkinderen zijn muziek voor en samen lazen zij Remy de Gourmonts Le Latin mystique, een bloemlezing van herontdekte teksten van kerkelijke gezangen, hymnen en cantica.

Kenmerken eerste versie

Diepenbrock richtte zijn partituur in voor tenorsolo, vierstemmig mannenkoor (met een achtstemmige divisering in het Sanctus) en orgel, maar heeft ook enige tijd overwogen de orgelpartij om te werken voor orkest. Hij sprak er zelfs al over met de dirigent van het koor van de Amsterdamse Mozes en Aäron-kerk, Bernard Zweers (1854-1924), die er positief tegenover stond.

Datum van voltooiing van de Missa Solemnis virorum choro vocum quatuor ad organum cantanda (Plechtige Mis voor vierstemmig mannenkoor en orgel) is 23 juli 1891. Twee dagen later berichtte Diepenbrock opgetogen aan zijn ouders:

Nu staat het op het papier in een partituur van 94 bladzijden, en soms voel ik mij heel gelukkig, dat tot stand te hebben gebracht, en een werk te hebben gemaakt dat wel uniek is. Al is het als puur muziekwerk niet zoo bijzonder, dat doet er niets toe. Het is om de muziek alleen niet te doen. Maar het unieke is dat het zielstoestanden uitspreekt, die zeer zeldzaam zijn in dezen tijd, en toch in zijn techniek allermodernst. (BD I:286-287)

De componist geeft hier de essentie van zijn streven weer.

Inmiddels had Diepenbrock zijn hoop gevestigd op een uitvoering in het Concertgebouw, waar binnenkort het Maarschalkerweerd-orgel in gebruik zou worden genomen. Maar nadat organist J.A. Verheijen bedenkingen maakte ten aanzien van de chromatiek in de orgelpartij van de mis, neigde Diepenbrock er sterk naar de compositie om te werken voor gemengd koor, orkest en orgel (zie BD I:288). Kort erna nam organist C.F. Hendriks de twijfel weer weg tijdens het doorspelen van de partituur op een Cavaillé-Coll-orgel: Dit heeft mij de zekerheid gegeven dat het goed is. Het klonk heerlijk. (BD I:291)

Een enorme teleurstelling was het verdict van Henri Viotta, oprichter en muzikaal leider van de Wagnervereeniging en dirigent van de zangvereniging Excelsior, over de uitvoerbaarheid van de vocale partijen. Als man van de praktijk zag hij in de zelfstandigheid van de stemmen een onoverkomelijk probleem voor de koren in den lande. Ook signaleerde hij de moeilijkheid van de kleine ambitus van een mannenkoor, Hetgeen bij zoo groote polyphonie niet bevorderlijk is aan de duidelijkheid, evenmin als aan de zuiverheid der talrijke modulatiën die er in voor komen. Zijn conclusie was: Ik vrees [...] dat uw Mis meer een werk voor het oog dan voor het oor is. (BD I:294-295)

Daarop liet Diepenbrock de hoop varen zijn werk spoedig tot uitvoering te kunnen brengen, al verloor hij niet het geloof in zijn compositie, mede dankzij een tweede sessie met Hendriks. Een en ander is te lezen in een brief die Diepenbrock begin maart 1892 vanuit ’s-Hertogenbosch aan zijn familie schreef:

Het zal wel een weemoedig genoegen zijn als ik mischien op mijn ouden dag deze jubelende muziek nog eens hoor, die ik hier onder zoo groote druk heb gemaakt. Ik was zoo blij het weer eens te hooren; het is als een waterkruik in de zandwoestijn van dit dorre leven, en ook de vernietiging van mijn twijfel er aan en de bevestiging dat het mooi en groot is. O als U ’t eens hoorde, het is wel wat vreemd en wrang, maar er is niets dors en versletens in; mischien zal ik nooit meer zooiets kunnen maken. (BD I:335)

Desondanks is Diepenbrock op 22 februari 1892 begonnen aan een herziening van het Credo. Begin juli onderneemt hij zelfs een eerste stap om tot uitgave van het werk te komen. Hij stuurt een gedeelte van de mis aan de Amsterdamse firma Roeloffzen & Hübner, met het verzoek de kosten van gravure en druk te laten berekenen bij een van de gerenommeerde graveurs van Leipzig. Voor het titelblad, dat Derkinderen zal kalligraferen, ontwerpt Diepenbrock een tekst die voor het eerst de aanduiding in die festo bevat. (BD I:389) Dat najaar valt de beslissing om met De Nieuwe Muziekhandel in zee te gaan. Een intekenactie, door Derkinderen in november gelanceerd, had goede respons: medio januari 1893 werd de ondergrens gehaald van vijftig subscripties à 10 gulden, waarop in april 1893 het contract kon worden bekrachtigd. Diepenbrock is er heel blij mee: Ik dacht niet dat er van zou komen. (BD I, 452-453) Voor zijn partituur krijgt hij 300 gulden. In juni 1893 brengt de muziekhandel een circulaire uit met de mededeling dat de uitgave in het najaar zal verschijnen. Het loopt echter geheel anders.

Algehele revisie en prachteditie

Nu hij de publieke arena met een groot opus in druk gaat betreden, besluit Diepenbrock tot een grondige herziening. Hij verandert het oorspronkelijk concept door het koor – naar voorbeeld van de zestiende-eeuwse coro spezzato-praktijk in de San Marco van Venetië – in twee helften te splitsen die elkaar nu eens afwisselen, dan weer tegelijk in volle achtstemmigheid klinken (naast het Sanctus in een groot gedeelte van het Agnus Dei) en op andere momenten vierstemmig samengaan. In de vocale partijen vallen vooral vereenvoudiging van stemvoering en vermijding van hoge ligging op. Ook de orgelpartij onderging opmerkelijke wijzigingen: zo bracht Diepenbrock op veel plaatsen meer afwisseling aan in het ritmisch verloop, schreef hier en daar tacet voor waar in de eerste versie het orgel meespeelde, maar vulde ook korte passages aan in deze partij. Overige ingrijpende veranderingen zijn: het terugbrengen van het aantal maten van 111 naar 67 in het Kyrie en een aanzienlijke uitbreiding van het Benedictus van 58 naar 80 maten; het inruilen van de meerstemmige openingsregel van Gloria en Credo voor een Gregoriaanse intonatio door de celebrant; het transponeren van het Sanctus en het begin van het Agnus Dei met een halve toon naar beneden; het schrappen van citaten uit andere delen in het Agnus Dei.

Deze revisie betekende uitstel van het productieproces. In november 1893 levert Diepenbrock de eerste twee delen voor gravure af, in februari van het volgende jaar is de omwerking van het Credo gereed. Vervolgens ondergaat ook het Sanctus, dat in de eerste versie reeds achtstemmig was opgezet, de tyrannie van het radeermes met het streven dat er een luwe lenteadem over gaat en alles zingender en teederder wordt, zoals hij aan zijn toekomstige vrouw Elisabeth schrijft. (BD II:154)

In dit stadium van zijn ontwikkeling ondervond Diepenbrock veel steun van de in Luik woonachtige componist Charles Smulders (1863-1934). Het geregelde contact met deze geestverwant gaf hem het gevoel niet langer in een isolement te werken. Begin januari 1894 bracht Diepenbrock enige dagen bij hem door. Smulders was zo enthousiast over de Missa dat hij beloofde stappen te ondernemen om een uitvoering gedaan te krijgen.

Op 13 maart 1894 voltooide Diepenbrock het laatste van de resterende delen, maar de revisie van het werk was nog allerminst afgerond. De Druckvorlage en de uiteindelijke druk tonen aanzienlijke verschillen. Deze veranderingen moeten door Diepenbrock zijn aangebracht in een drukproef die later verloren is gegaan. Menige ingrijpende correctie bracht de noodzaak met zich mee de gravure van de betreffende pagina geheel of gedeeltelijk over te doen. Andere passages zijn door retouches aangepast. Al met al is de uitgever voor een extra kostenpost gesteld van 300 gulden, een even groot bedrag als hij Diepenbrock betaalde voor de rechten van uitgave.

Pas in het najaar van 1894 beschouwde Diepenbrock de compositie als gereed. Tegen de jaarwisseling, nog lang vóór verschijning van de uitgave, schonk hij de autografe partituur van de Missa solemnis aan Smulders, met een vererende opdracht. Het duurt dan nog bijna twee jaar alvorens Diepenbrocks mis in druk beschikbaar komt: de verschijningsdatum is 20 oktober 1896. In de tussentijd had Diepenbrock te kennen gegeven de titel van zijn werk te willen vereenvoudigen door weglating van zowel het woord “solemnis” als de aanduiding “in die festo”, die hij tegenover Derkinderen als overbodig, onjuist of pretentieus bestempelde. (BD II:377) Zo heet zijn werk op de titelpagina simpelweg: Missa duobus choris vocum virorum cum organo concentu cantanda. De steendruk met veelkleurige decoratie van Antoon Derkinderen kan worden aangemerkt als een exemplarische vrucht van de ‘vereniging der kunsten’.

Met zijn Missa schiep Diepenbrock een compositie waarin alle stemmen – ook in de talrijke homofone passages – zeggingskracht hebben. Vanaf de eerste inzet wordt dat duidelijk. De melodie waarmee Diepenbrock de solotenor het Kyrie laat openen en die geënt is op het thema van de prelude in cis-klein van Bachs Wohltemperierte Klavier I, geeft met haar reciterende aanhef, ranke triolenbeweging en opwaartse octaafsprong uitdrukking aan de bede om ontferming. Ook het contrapunt in de orgelpartij geeft die stemming weer. Uit het polyfone weefsel waarmee Diepenbrock vervolgens beide koorhelften de melodie laat overnemen en uitwerken, blijkt zijn vaardigheid in het nuanceren van de expressie van een tekstregel. Iedere stem draagt bij aan het geheel, met detailleringen die niet alleen decoratieve waarde hebben, maar ook constructieve. De zelfstandigheid hangt nauw samen met de gedifferentieerde ritmiek in de partijen. Het veelvuldig afwisselen van triolen met ‘gewone’ achtsten, telkens op andere plaatsen in de maat, in combinatie met het rubato dat Diepenbrock menigmaal in de notentekst voorschrijft, vergt een grote flexibiliteit van de zangers. Onafhankelijkheid van stemvoering (zowel in het koor als in het orgel) kenmerkt ook verscheidene passages van de andere delen, zoals het “pleni sunt coeli et terra” in het Sanctus, waar negen zelfstandige stemmen ieder hun individuele aandeel leveren in een collectieve jubel.

Anders dan het Kyrie zijn het Gloria en Credo grotendeels homofoon van textuur. De veelregelige teksten, die antifonaal worden gezongen bij uitvoering in het Gregoriaans, gaven Diepenbrock aanleiding de koorhelften voornamelijk bloksgewijs in te zetten, in dikwijls wisselende tempi die gerelateerd zijn aan de betekenis van de tekst, met af en toe een polyfoon segment, zoals het devoot-verstilde “Et incarnatus est”.

In zijn bevlogenheid heeft Diepenbrock zich niet strikt gehouden aan de volgorde van de liturgische tekst. Na het juichende “Hosanna in excelsis” laat hij het woord “sanctus” terugkeren, met dezelfde ingetogen sfeer van stille extase waarmee het misdeel begint. Ook het Benedictus eindigt bij hem met een herhaling van de eerste zin. Het besluiten van het Agnus Dei met een Amen is eveneens niet volgens de regels.

Bij verschijning van de gedrukte uitgave zal niemand hebben kunnen denken dat het werk nog twintig jaar onuitgevoerd zou blijven. Componist-dirigent Daniël de Lange, die in een recensie in Het Nieuws van den Dag de Missa een plaats “te midden van de meest geavanceerde richting der moderne kunst” toewees, noemde de publicatie “een gebeurtenis van belang voor de muzikale wereld in Nederland”. (BD II:577) Een dergelijke uitspraak leek perspectief te bieden. Ook in het buitenland kon de mis nu door middel van de gedrukte partituur onder de aandacht worden gebracht. Zo stuurde Diepenbrock in het najaar van 1898 een exemplaar naar Charles Bordes, dirigent van de Saint-Gervais te Parijs en mede-oprichter van de Schola Cantorum. Charles Smulders benaderde onder andere dirigent Eberhardt Schwickerath, die verantwoordelijk was voor de hoge kwaliteit van de koorzang in de dom van Aken. Maar geen van deze contacten leidde tot een uitvoering.

In de muzikale periodieken van Nederland verscheen geen enkele bespreking van de uitgave, zelfs niet in het breed geïnformeerde Caecilia. De stilte in het officiële orgaan van de Nederlandsche St. Gregorius-Vereeniging, het St. Gregorius-blad – Tijdschrift tot bevordering van kerkelijke Toonkunst, zal in de eerste plaats te maken hebben gehad met de door Diepenbrock op grote schaal toegepaste chromatiek. In die tijd golden voor de muziek in de eredienst strenge richtlijnen van de kerkelijke overheden, ingegeven door vrees voor de veronderstelde zinnelijke gevoelens die Wagneriaanse wendingen bij de kerkbezoeker zouden kunnen oproepen. Deze richtlijnen stonden een uitvoering van de Missa in de kerk in de weg. De openingszin van het Credo bijvoorbeeld toont waarom Diepenbrocks muziek niet voor liturgisch gebruik in aanmerking kon komen. De veelvuldige verhogingen en verlagingen, de opeenvolging van tonaal ver verwijderde akkoorden als A majeur en g mineur of – sterker nog – van Es groot en A groot, dat alles beantwoordde niet aan de toenmalige ideeën over wat toelaatbaar was.

Maar Diepenbrock had zijn Missa wel degelijk voor de katholieke eredienst bedoeld. Dit benadrukte hij in 1900 tegenover mgr. J.A.S. van Schaik (1862-1927), invloedrijk schrijver over kerkmuziek en zelf componist in de Caeciliaanse traditie van de school van Regensburg. Diens uitspraken ontlokten Diepenbrock een interessante uiteenzetting over de thematische verbanden in zijn werk en de psychologische achtergrond van de leidmotieven. (BD III:217-219) Daarmee echter kwam de discussie voorlopig tot een einde.

Pogingen tot uitvoering en uiteindelijke première

In het najaar van 1902 smeedt Diepenbrock plannen de mis met zangers van een Amsterdams kerkkoor tot uitvoering te brengen. Hij wil het werk zelf instuderen en dirigeren, en laat op eigen kosten partijen vervaardigen. Maar het initiatief strandt als te weinig koorleden hun medewerking toezeggen. Overal waar hij een goede gezindheid veronderstelt, probeert Diepenbrock belangstelling te wekken voor zijn mis, tot in Rome (Dom Hugo Gaisser, gerenommeerd onderzoeker van de Byzantijnse kerkzang en directeur van het opleidingsinstituut Pontificio Collegio Atanasiano) en Venetië (bibliotheek van de San Marco) toe.

In Nederland echter ziet hij de situatie definitief als hopeloos, wanneer zijn in 1906 gecomponeerde Veni Creator Spiritus voor mannenkoor en orgel (RC 69) officieel wordt afgewezen door de Bisschoppelijke Commissie tot keuring der kerk-muzikale compositiën, ingesteld om te waken over de toepassing van het decreet aangaande de kerkmuziek dat uitvloeisel was van de encycliek Motu proprio van paus Pius X uit 1903. Terwijl Diepenbrock successen boekt op de voornaamste concertpodia van het land, krijgt hij in kringen van de kerkmuziek, waar middelmatige composities wèl toegang vinden en zelfs worden aangeprezen, geen voet aan de grond. Een cynische gelatenheid is het resultaat.

Ter gelegenheid van zijn koperen huwelijksfeest (8 februari 1908) dachten goede vrienden, tegenover wie Diepenbrock in vroeger jaren had gezegd de Missa zijn beste werk te vinden, hem een verrassing te bereiden door een flinke som geld bijeen te brengen, te besteden aan een uitvoering van deze compositie en van de Reyen uit Vondels Gijsbrecht van Aemstel (RC 28, 30, 31 en 33). Zijn reactie was mistroostig en afwijzend; hij ging zelfs zover zijn mis “een dwaling van zijn jeugd” te noemen. (BD V:500)

Daarop besloot Antoon Derkinderen om via mgr. Van Schaik het nihil obstat te verkrijgen. Curieus is dat Van Schaik, zo blijkt uit de correspondentie, zich op dat tijdstip pas realiseerde dat Diepenbrock zich in zijn zetting van de mistekst niet strikt aan het liturgisch formulier had gehouden. Grootste struikelblok voor Van Schaik (van liturgisch standpunt uit onduldbaar) was de afsluiting van het Agnus Dei met een Amen – in zijn ogen een toppunt van eigenmachtigheid van een componist die de kerkelijke tekst “niet voor vol aanziet” en voldoende reden om van iedere medewerking af te zien; hij althans wilde zich er niet aan wagen Diepenbrock voor te stellen een en ander te veranderen. (BD V:522-523) Het is dan ook Derkinderen die Diepenbrock daarover benaderde. Dit was de eerste stap in een omzichtig aftasten van strategieën waarmee de partijen tot elkaar gebracht zouden kunnen worden, een proces dat zich nog over jaren zou uitstrekken en vooralsnog weinig concreets opleverde.

Een andere intieme vriend van Diepenbrock, W.G. (Gijs) Hondius van den Broek (1867-1913), hamerde erop de mis niet geheel als afgeschreven te beschouwen. Het idee om een bewerking te maken voor gemengd koor en orkest bleek Diepenbrock nog steeds niet te hebben verlaten, ook al vond hij – zo heeft hij herhaaldelijk gezegd – een mis voor de concertzaal eigenlijk een onding. (BD III:212) Begin 1913 zwichtte Diepenbrock voor Hondius’ aandrang, maar na de instrumentatie van het Kyrie en Gloria (zie RC 116) legde hij de partituur terzijde, omdat er toch geen uitvoering in het vooruitzicht lag en hij zich liever aan een nieuwe compositie wijdde.

In die jaren zijn er twee serieuze pogingen ondernomen om tot uitvoering van de Missa te komen: door Anton Averkamp en door Theo van der Bijl met het koor van de Mozes en Aäron-kerk. Terwijl het eerste initiatief op de ontoereikendheid van de zangers strandde (zelfs drie repetities per week volstonden niet om de partijen er voldoende in te krijgen), was het Diepenbrock zelf die de tweede onderneming afblies, omdat hij het Adema-orgel van de kerk ongeschikt achtte.

Intussen was bij mgr. Van Schaik de overtuiging gerijpt dat de mis een uitvoering verdiende. Hij zorgde voor een dubbele doorbraak: niet alleen wist hij Diepenbrock ertoe te bewegen enige essentiële veranderingen in zijn partituur aan te brengen teneinde het nihil obstat te verkrijgen van de beoordelingscommissie voor liturgische muziek, ook slaagde hij erin de jonge, ambitieuze dirigent van het Utrechtse Kathedrale Koor, Johan Winnubst, voor het werk te interesseren. Van Schaik richtte een ‘Comité tot uitvoering der Mis van dr. Alphons Diepenbrock’ op dat de benodigde fondsen bij elkaar bracht, en zette zich aan het schrijven van een uitvoerig artikel over de Missa voor de eerste aflevering van het nieuwe tijdschrift De Beiaard.

De brieven waarin Diepenbrock antwoord gaf op de vragen die Van Schaik stelde over de wording van het werk en de gedachten achter de vorm, verschaffen informatie over zijn poging een versmelting der Caeciliaansche met de Wagnersche stijlbeginselen tot stand te brengen. Tevens onthult Diepenbrock zijn eerste ingeving van mei 1890, de meerstemmige aanhef van het Credo die hij in de tweede versie om liturgische redenen heeft weggelaten, en doet hij mededeling van zijn gewaarwording (tijdens de schoolvakantie van de zomer van 1890) van door een vreemde macht bestuurd te worden, die het mij onmogelijk maakte mij met iets anders dan de Mis bezig te houden. (BD IX:52) Ook sprak Diepenbrock zich tegenover Van Schaik uit over de ideale condities die hem van meet af aan voor ogen hadden gestaan bij uitvoering van zijn werk:

Het eischte den mystischen klank van een modern orgel, doorloopend met Gambastemmen geregistreerd, het clair obscuur zoowel voor het oog als het oor van den hoorder van een groote kathedraal, en het metaphysische timbre der mannenstemmen, het onpersoonlijke van een onzichtbaar koor, van een onzichtbare dirigent, en een onzichtbare anonyme Tenor-Solist. (BD IX:93)

Het zal op zijn vroegst eind mei zijn geweest dat met het instuderen van de mis begonnen is.

Van aanvang af heeft er tijdsdruk op het project gelegen, aangezien de uitvoering in de kathedrale St. Catharina kerk te Utrecht was gekoppeld aan de datum van de jaarlijkse vergadering van de St. Gregorius-Vereeniging, maandag 2 oktober 1916. Vier maanden zijn een krappe termijn om zich een dergelijk gecompliceerd werk eigen te maken. Diepenbrock woonde in september de repetities bij, maar werd niet in de gelegenheid gesteld zelf met het koor te werken. Wel coachte hij Nic. van Wessem, de amateurzanger die voor de solopartij was uitgekozen. De primitieve omstandigheden (het Maarschalkerweerd-orgel had destijds een speeltafel met slechts twee klavieren) en het tijdgebrek deden Diepenbrock na de generale repetitie verzuchten: Ze hadden het in de doos moeten laten. (BD IX:168) Desondanks is het met aller inspanningen, niet in het minst die van organist Henri Hermans, tot een voor de auteur zeer respectabele, al was het ook niet ideale uitvoering gekomen. (BD IX:190) Hoffelijk telegrafeerde hij na afloop: Hulde en groet aan de overwinnaars der ontelbare mollen en kruisen van de Mis van Diepenbrock. (BD IX:168)

Uit de recensies blijkt dat het werk tijdens de plechtige hoogmis op die tweede oktober 1916 bij het massaal toegestroomde publiek en de verzamelde Nederlandse pers grote indruk maakte. Over het algemeen had men waardering en bewondering voor de executanten. Maar waarschijnlijk is de karakteristiek die recensent Constant van Wessem gaf door te spreken van een reproductie als een soort verbleekte chromo naar een goed schilderij nog het meest realistisch. (BD IX:505)

Uitvoeringen volgden nog in Nijmegen (5 november in de Franciscanerkerk) en Zwolle (7 januari 1917 in de Klooster-kerk, ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan van de Dominicaner orde). Toen de Nijmeegse uitvoering nog verder bleek af te staan van zijn ideaal dan de première, heeft Diepenbrock die van Zwolle niet willen bijwonen. Wel hoopte hij op een herhaling, maar dan met een betere voorbereiding. Daar is het echter tijdens zijn leven niet meer van gekomen.

Enige maanden na zijn dood kwam in ’s-Hertogenbosch – onder auspiciën van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst – een drietal uitvoeringen tot stand (26 juni, 3 en 7 juli 1921) in de Sint Janskathedraal door een dubbel mannenkoor, samengesteld uit tachtig zangers van de verschillende kerkkoren ter stede, onder leiding van Peter Kallenbach. De orgelpartij was weer in handen van Henri Hermans; ditmaal was Louis van Tulder de tenorsolist.

Ton Braas



Kyrie
Kyrie eleison.
Christe eleison.
Kyrie eleison.

Gloria
Gloria in excelsis Deo.
Et in terra pax hominibus bonae voluntatis.
Laudamus te, benedicimus te.
Adoramus te, glorificamus te.
Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam.
Domine Deus, Rex caelestis, Deus Pater omnipotens.
Domine Fili unigenite Jesu Christe.
Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris.
Qui tollis peccata mundi, miserere nobis.
Qui tollis peccata mundi, suscipe deprecationem nostram.
Qui sedes ad dexteram Patris, miserere nobis.
Quoniam tu solus sanctus, tu solus Dominus.
Tu solus Altissimus, Jesu Christe.
Cum Sancto Spiritu, in gloria Dei Patris.
Amen.

Credo
Credo in unum Deum.
Patrem omnipotentem, factorem coeli et terrae,
visibilium omnium et invisibilium.
Et ex Patre natum ante omnia saecula.
Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero.
Genitum non factum, consubstantialem Patri,
per quem omnia facta sunt.
Qui propter nos homines, et propter nostram salutem
descendit de coelis.
Et in carnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine,
Et homo factus est.
Crucifixus etiam pro nobis,
sub Pontio Pilato passus et sepultus est.
Et resurrexit tertia die secundum Scripturas.
Et ascendit in coelum, sedet ad dexteram Patris.
Et iterum venturus est cum gloria, judicare vivos et mortuos,
cujus regni non erit finis.
Et in Spiritum Sanctum, Dominum et vivificantem.
Qui cum Patre et Filio simul adoratur, et conglorificatur,
Qui locutus est per Prophetas.
Et unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam.
Confiteor unum baptisma in remissionem peccatorum.
Et expecto resurrectionem mortuorum.
Et vitam venturi saeculi.
Amen.

Sanctus
Sanctus, sanctus, sanctus Dominus Deus Sabaoth.
Pleni sunt coeli et terra gloria tua.
Osanna in excelsis.

Benedictus
Benedictus qui venit in nomine Domini.
Osanna in excelsis.

Agnus Dei
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis.
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, dona nobis pacem.


Kyrie
Lord have mercy;
Christ, have mercy;
Lord, have mercy.

Gloria
Glory to God in the highest.
And on earth peace to men of good will.
We praise You, we bless You,
we adore You, we glorify You,
we give thanks to You for Your great glory,
Lord God, heavenly King, almighty God the Father.
Lord Jesus Christ, only begotten Son,
Lord God, Lamb of God, Son of the Father.
You who taketh away the sins of the world, have mercy on us.
You who take away the sins of the world, hear our prayers.
Who sits at the right hand of the Father, have mercy upon us.
For You are the only Holy One, the only Lord,
the only Most High, Jesus Christ,
with the Holy Spirit in the glory of God the Father,
Amen.

Credo
I believe in one God,
the Father Almighty, Maker of heaven and earth,
and of all things visible and invisible,
begotten of the Father before all worlds.
God of God, Light of Light, true God of true God,
begotten, not made, being of one substance with the Father,
by Whom all things were made.
Who for us men and for our salvation
came down from Heaven,
and was incarnate by the Holy Ghost of the Virgin Mary,
and was made man:
He was also crucified for us under Pontius Pilate;
He suffered and was buried.
And on the third day He rose again according to the Scriptures,
and ascended into Heaven, and sits on the right hand of the Father.
And He shall come again, with glory, to judge the living and the dead;
Of His Kingdom there shall be no end.
And I believe in the Holy Spirit, the Lord, and Giver of Life,
Who, with the Father and the Son, is similarly adored and glorified,
Who has spoken through the Prophets.
And I believe in One, Holy, Catholic, and Apostolic Church,
I confess one Baptism for the remission of sins.
And I expect the Resurrection of the Dead,
And the Life of the world to come.
Amen.

Sanctus
Holy, Holy, Holy, Lord God of Hosts.
Heaven and earth are full of Your glory.
Hosanna in the highest.

Benedictus
Blessed is He who comes in the name of the Lord
Hosanna in the highest.

Agnus Dei
Lamb of God, who takes away the sins of the world, have mercy upon us.
Lamb of God, who takes away the sins of the world, grant us peace.

 


  • A-7 Missa Solemnis virorum choro vocum quatuor ad organum cantanda

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83
    • 84
    • 85
    • 86
    • 87
    • 88
    • 89
    • 90
    • 91
    • 92
    • 93
    • 94
    • 95
    • 96
    • 97

    A-7 entitled and dated Missa Solemnis virorum choro vocum quatuor ad organum cantanda – composuit Alphonsus Johannes Maria Diepenbrock / Inchoavi die XVII mensis Mai anni MDCCCLXXXX. absolvi die 23 Julii Mensis an MDCCCLXXXXI. dedicavi Antonio Derkinderen and with dedication on the flyleaf Aan Antoon Derkinderen tot aandenken aan de jaren 1890-1893 te sHertogenbosch in trouwe vriendschap en dankbaarheid van Alfons Diepenbrock Driekoningen 1895

    • 1890-05-17 00:00:00.0 – 1891-07-23 00:00:00.0
    • dedication: Aan Antoon Derkinderen tot aandenken aan de jaren 1890-1893 te sHertogenbosch in trouwe vriendschap en dankbaarheid van Alfons Diepenbrock Driekoningen 1895
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 97
  • A-8 Missa solemnis cum quaternis tum octonis vocibus (sive binis choris) vocum virorum cum organi concentu cantanda composuit Alphonsus Johannes Maria Diepenbrock

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83
    • 84
    • 85
    • 86
    • 87
    • 88
    • 89
    • 90
    • 91
    • 92
    • 93
    • 94
    • 95
    • 96
    • 97
    • 98
    • 99
    • 100
    • 101
    • 102
    • 103
    • 104
    • 105
    • 106
    • 107
    • 108
    • 109
    • 110
    • 111
    • 112
    • 113
    • 114
    • 115
    • 116
    • 117
    • 118
    • 119
    • 120
    • 121
    • 122
    • 123
    • 124
    • 125

    A-8 entitled Missa solemnis cum quaternis tum octonis vocibus (sive binis choris) vocum virorum cum organi concentu cantanda composuit Alphonsus Johannes Maria Diepenbrock and dated from 22 February 1892 up to 13 March 1894; with dedication on the flyleaf Aan Charles Smulders / het morgenrood van de toonkunst der XXste eeuw / in diepen eerbied / hartelijke vriendschap / innige dankbaarheid. / Alphons Diepenbrock Dec 1894

    • 1892-02-22 00:00:00.0 – 1894-03-13 00:00:00.0
    • dedication: Aan Charles Smulders / het morgenrood van de toonkunst der XXste eeuw / in diepen eerbied / hartelijke vriendschap / innige dankbaarheid. / Alphons Diepenbrock Dec 1894
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 125

Credo

Kyrie

Agnus Dei

Sanctus & Benedictus

Gloria



  • click to enlarge

    Anniversary Edition 8

    cd Et'cetera KTC 1435 CD8
    Klava, Sigvards ♦ Yilmaz, Deniz ♦ Netherlands Radio Choir ♦ Doeselaar, Leo van

    Tracks: 1-6 = RC 27

  • Missa duobus choris vocum virorum cum organo concentu cantanda

    1896 Algemeene Muziekhandel
  • Missa in die festo, Treasures of Dutch Choral Music Vol. 6

    2005 KVNM/Donemus/ADF

20 okt 1896: De Missa in die festo verschijnt in druk.

Reeds vroeger had ik gelegenheid over andere compositiën van Diepenbrock te spreken. Bij die gelegenheden wees ik er op, dat de schrijf­wijze van dezen componist zich wezenlijk onderscheidt van die van an­dere componisten. Terwijl andere componisten steeds den grond van alle tooncombinatiën in de regelen der harmonie zoeken, zoekt Diepenbrock den grond voor zijn combinatiën in den melodischen stroom der stemmen. In dit opzicht is hij een trouw volgeling van de oude mees­ters van het contrapunt. Maar tusschen de oude meesters en het einde van de negentiende eeuw ligt een tijdperk van drie eeuwen. In dat tijd­perk heeft de muzikale kunst zich ontdaan van allerlei verkeerde be­grippen omtrent toonverhoudingen, enz. enz. Diepenbrock nu maakt in zijn werk gebruik van die overwinningen der laatste drie eeuwen, en zoo staat zijn werk, ofschoon den contrapuntischen grondslag huldi­gende, te midden van de meest geavanceerde richting der moderne kunst. [...] een gebeurtenis van belang voor de muzikale wereld in Nederland.

Het Nieuws van den Dag (Dan. de Lange), 22 oktober 1896

Evenals de oudere meesters geeft hij aan elke stem de grootst mo­gelijke zelfstandigheid, maar waagt zich daarbij aan harmoniën van gansch modernen aard. Dat geeft aan zijn werk een cachet, hetwelk in den beginne afschrikt, maar bij nadere kennismaking voelt men dat men met den arbeid van een meester te doen heeft. Er spreekt overtuiging en inspiratie uit die schijnbaar zoo zonderlinge vormen. [...] De uitgevers, “De Algemeene Muziekhandel”, zorgden, dat het werk in een passend gewaad werd gesloten. Niemand minder dan der Kinderen teekende titelblad, en-têtes en verdere versieringen, en de druk op mooi papier is ongemeen fraai; kortom zij hebben hier voor de kunst meer gedaan dan men, ook al stelt men de hoogste eischen, van hen mocht verwachten. Daarvoor hebben zij recht op hulde en belangstelling.

Algemeen Handelsblad (Mr. G. Keiler), 25 oktober 1896

pdf All reviews for RC 27 Missa in die festo