english | nederlands

RC 49 Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein”

text source

Novalis Schriften Vol. II (Berlin: G. Reimer 5th edition 1837), 14-16

first performance

1900-06-27 00:00:00.0 Den Haag, Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen

recordings

  • Anniversary Edition 2 Et'cetera KTC 1435 CD2

publications

  • Hymne an die Nacht ‘Gehoben ist der Stein’ (full score) Noske, A.A. 5460153
  • Hymne an die Nacht ‘Gehoben ist der Stein’ (vocal score) Noske, A.A. 5460153

  • Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein”
  • Novalis
  • sopraan en orkest
  • 1899-01-02 00:00:00.0 - 1899-05-04 00:00:00.0 | revised 1914-12-01 00:00:00.0 - 1915-02-01 00:00:00.0
  • duration 16:00

Geïnspireerd door de jonge Nederlandse sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius componeerde Diepenbrock voor haar in de eerste helft van 1899 Gehoben ist der Stein, een van de Hymnen an die Nacht van de vroeg-romantische Duitse dichter Novalis, pseudoniem van Friedrich von Hardenberg (1772-1801). In tegenstelling tot het eerder op een gedicht uit deze verzameling geschreven lied Hinüber wall’ ich (RC 37) voor sopraan en piano, ontwierp Diepenbrock de nieuwe compositie direct met orkestbegeleiding. Op 20 januari aan het werk begonnen, had hij het op 4 maart compleet in pianouittreksel. De instrumentatie rondde hij twee maanden later af, op 4 mei. In Diepenbrocks brieven uit die tijd is geen vermelding te vinden van het scheppingsproces. …more >

Hymne an die Nacht (incipit)


Geïnspireerd door de jonge Nederlandse sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius componeerde Diepenbrock voor haar in de eerste helft van 1899 Gehoben ist der Stein, een van de Hymnen an die Nacht van de vroeg-romantische Duitse dichter Novalis, pseudoniem van Friedrich von Hardenberg (1772-1801). In tegenstelling tot het eerder op een gedicht uit deze verzameling geschreven lied Hinüber wall’ ich (RC 37) voor sopraan en piano, ontwierp Diepenbrock de nieuwe compositie direct met orkestbegeleiding. Op 20 januari aan het werk begonnen, had hij het op 4 maart compleet in pianouittreksel. De instrumentatie rondde hij twee maanden later af, op 4 mei. In Diepenbrocks brieven uit die tijd is geen vermelding te vinden van het scheppingsproces.

Novalis’ Hymnen an die Nacht ontstonden onder de verpletterende indruk die de onverwachte dood van zijn jonge geliefde op de dichter had gemaakt. Gehoben ist der Stein beschrijft, in zeven rijmende coupletten van elk acht regels, de louterende werking die van de oneindige sterrenhemel kan uitgaan, en verheft deze daarmee tot christelijk-pantheïstisch symbool voor de opheffing van de scheidslijn tussen het sterfelijke bestaan en de onsterfelijkheid.

Novalis opent met een dichterlijke omschrijving van het dogma dat de mensheid door de opstanding van Christus, die bij het Laatste Avondmaal zijn lichaam en bloed aanbood, deel krijgt aan het eeuwige leven, gesymboliseerd door een bruiloft in het heldere licht van olielampen waarvan de brandstof nooit opraakt. Voor dat feest roept de dood ons op; het sterrengeflonker in de verte lokt ernaartoe. In de derde en vierde strofe wendt Novalis zich tot Maria en beschrijft hij hoe zij die zich eens in doodsnood tot haar gewend hebben, thans als hemelskinderen over ons waken. De dichter voelt zich in hun beschermende omhulling opgaan waar hij zegt: “Wir kommen nun zu ihnen, / Um ewig da zu sein.” Dus voelt de gelovige, volgens de vijfde en zesde strofe, aan het graf geen verdriet, getroost als hij zich weet door de zekerheid dat zijn geliefde naar het eeuwige leven is overgegaan. Dronken van de gouden wijn waarin het firmament vervloeit, zullen we zelf lichtende sterren zijn. De mystieke vervoering bereikt haar hoogtepunt in de slotstrofe waarin sprake is van het opgaan in het volle, tijdloze leven dat kolkt als een oneindige zee. Slechts één nacht van dit overstelpende geluk, een eeuwig gedicht, brengt ons het besef dat Gods aangezicht ons aller zon is.

Leidmotief: overgang van dood naar leven

Als klinkend symbool voor de gedachte van overgang van dood naar leven ontwikkelde Diepenbrock de compositie uit één motief van vijf stapsgewijs dalende tonen, dat hij – volgens zijn aantekening aan het begin van pianouittreksel A-41(9) – ontleende aan de afsluitende maten van het “Et sepultus est” uit het Credo van Beethovens Missa solemnis.

In de orkestrale inleiding beheerst dit ‘grafleggingsmotief’ van dalende secunden aanvankelijk het muzikale betoog, maar ook doet zich in de maten 4, 6, 8 en 9 al een variant voor met een opwaartse beweging aan het eind. Vanaf de opmaat voor m. 18 klinkt als contrapunt een volledige melodie waarin een stijging van een secunde zich in korte tijd ontwikkelt tot een sprong van een kleine septiem. Vervolgens scheppen twee maten met louter het ‘grafleggingsmotief’ de ruimte voor de verlossende openingswoorden:

Gehoben ist der Stein,
Die Menschheit ist erstanden.
Wir alle bleiben dein
Und fühlen keine Banden.

De zangstem begint met een kwintsprong omhoog en stijgt nog een kleine secunde – een tendens die zich in de tweede zin voortzet. Ook in de volgende zinnen is de beweging naar boven gericht. Na herhaling van zeven maten uit de inleiding volgt de tweede helft van het eerste couplet.

Een viertal maten vormt de overgang naar de tweede strofe. Daarvan wordt de melodie voor zowel “Zur Hochzeit ruft der Tod” als voor “Die Lampen brennen helle” en de daarop volgende frase gekenmerkt door een opwaartse kwartsprong en een neerwaartse drieklankbreking in een ferme beweging van kwartnoten. De emotioneel contrasterende muziek voor de tweede helft van dit couplet

Erklänge doch die Ferne
Von deinem Zuge schon,
Und ruften uns die Sterne
Mit Menschenzung’ und Ton!

is ontwikkeld uit een motief uit de orkestrale introductie die afwijkt van het patroon van diatonische secundenschreden en daar met een aangescherpt ritme een onverwacht forte-karakter forceert.

In het tot Maria gerichte gedeelte, beginnend met de woorden

Nach dir, Maria, heben
Schon tausend Herzen sich;
In diesem Schattenleben
Verlangten sie nur dich

verandert Diepenbrock de vierkwartsmaat in een 6/4-maat, waardoor de muziek (Zart und fliessend) een enigszins wiegend karakter krijgt. Tegen chromatische lijnen in het lage register van het orkest klinken in hoge instrumenten melodische guirlandes, die als muzikale wierook de zangstem vergezellen tot de woorden “Um ewig da zu sein”. Daar stokt de beweging om plaats te maken voor een aureool van een prachtige akkoordenreeks als begeleiding van die frase.

Dan volgt een ‘gesublimeerde’ reprise van de openingsmaten van de compositie die de vijfde strofe voorbereiden: “Nun weint an keinem Grabe / Vor Schmerz, wer liebend glaubt.” Nog steeds in een 6/4-maat start hier een vrije vertaling van de muziek van het eerste couplet. Op de slotlettergreep van de vijfde strofe keert de vierkwartsmaatsoort terug. Een tussenspel met lange melodische lijnen leidt de zesde strofe in, die ononderbroken overgaat in het begin van het laatste, zevende couplet. Onderwijl krijgt de muziek in toenemende mate een extatisch karakter, om na de gezongen woorden “Es wogt das volle Leben / Wie ein unendlich Meer” dit beeld gedurende acht maten in het orkest – volgens de partituur mit grösster Begeisterung – tot uitdrukking te brengen. Onder de slotregels “Und unser aller Sonne / Ist Gottes Angesicht” klinkt weer het dalende-secunde-motief zoals we het aan het begin van de compositie hoorden. Ook het orkestrale naspel grijpt terug op de inleiding, waarbij nu tevens reminiscenties aan eerdere, variante presentaties van dit motief worden opgenomen.

Structureel valt de compositie uiteen in een expositie (couplet 1-2), een contrasterend middendeel (couplet 3-4) en een vrije reprise (couplet 5-7) waarbij het eerste deel van de reprise (couplet 5) metrisch aansluit op het voorafgaande middendeel. Hiermee slaagt Diepenbrock erin de tegenstelling in Novalis’ tekst tussen de realiteit van het dood en begraven zijn (“et sepultus est”) en het uitzicht op eeuwige verlossing, samengebald in de woorden “Gehoben ist der Stein”, ook muzikaal-structureel vorm te geven en voorkomt hij dat binnen de totale compositie het middendeel geïsoleerd staat.

Uitvoeringen en herziening orkestratie

De première van de Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein” vond plaats op 27 juni 1900 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Den Haag aan het slot van het derde feestconcert van de Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging. De uitvoering met Aaltje Noordewier en het Concertgebouworkest was tevens Diepenbrocks debuut als dirigent. De recensies waren lovend, zowel over de noviteit als over de vertolking door zangeres en orkest onder leiding van de componist.

Ook de Amsterdamse première op 6 december 1900, kreeg Diepenbrock zelf te dirigeren, al was dat niet gepland. Op de ochtend van de uitvoering meldde Mengelberg zich plotseling ziek en werd Diepenbrock gevraagd de generale repetitie voor het concert, waarop tevens de hymne voor alt en orkest Muss immer der Morgen wiederkommen (RC 50) ten doop zou worden gehouden, stante pede over te nemen. Lichamelijk niet geconditioneerd op het dirigeren van zware stukken kreeg hij last van spierpijn. De alt-hymne maakte deel uit van de eerste helft van het programma en lukte goed. Ondanks massage aan zijn rechterarm in de pauze was die in de sopraan-hymne al gauw oververmoeid en moest Diepenbrock overnemen met de linkerhand. Volgens het dagboekverslag van Elisabeth had dat een onverwachte uitkomst:

op het slot [...] geeft hij alleen nog maar de eerste slag aan, waardoor de eindfanfare van het koper een vrijheid van declamatie kreeg die den geweldigsten indruk maakte. Het klonk geheel geïmproviseerd en toch volkomen. Zóó hooren wij het nooit meer. (BD III:248)

Maar na een meesterlijke directie van Mengelberg op 31 januari 1901 meldde Diepenbrock in alle eerlijkheid aan Smulders: Nu kwam eindelijk de gloeiende en zwellende klank eruit, die ik vergeefs getracht heb eruit te halen. (BD III:265)

Diepenbrocks Auferstehungshymne genoot al spoedig, mede dankzij de affiniteit die Aaltje Noordewier-Reddingius ervoor aan de dag legde, een zekere faam en is regelmatig geprogrammeerd. Zo klonk het werk op 6 september 1912 ter gelegenheid van een congres van levensverzekeraars (VIIe Congrès International d’Actuaires) en werd het in oktober opnieuw ten gehore gebracht in het Concertgebouw.

Met het oog op een gedrukte uitgave die Diepenbrock van zijn belangrijkste werken voorhad en waarvoor hij op zijn vijftigste verjaardag van vrienden een flink bedrag had ontvangen, ondernam hij van Gehoben ist der Stein in december 1914 een nieuwe instrumentatie. Op 10 februari 1915 had hij de partituur gereed. Net als bij de alt-hymne, waarvan het productieproces in gang was gezet, vervaardigde hij tevens een nieuw pianouittreksel om te drukken. Om het goed speelbaar te maken moesten niet alle orkeststemmen erin worden opgenomen: niet meer de oude manier (Wagner, Zweers), […] minder dik, meer nuance, tegelijk meer begeleiding en meer orkestraal zelfstandig. (BD VIII:473) Over de oorspronkelijke orkestratie oordeelde Diepenbrock zó negatief dat hij de orkestpartijen vernietigde. Om die reden was een uitvoering door de Duitse sopraan Gertrud Foerstel niet op korte termijn te regelen, zoals blijkt uit een schrijven aan Mengelberg. (BD VIII: 437) De editie van de Auferstehungshymne zou uiteindelijk pas postuum gerealiseerd worden.

nil mortale sonans”

In november 1917 heeft Diepenbrock intense vreugde beleefd aan een uitvoering door de Arnhemsche Orkest Vereeniging onder leiding van Richard Heuckeroth. Recensent P.A. van Westrheene prees Diepenbrocks polyfonie van stralende […] soms een oogenblik bijna te felle kleurenschittering, van geestdrift-spanning en van vredige verrukking. Opnieuw maakt Noordewier diepe indruk:

De klank der laatste woorden: “Und unser aller Sonne / Ist Gottes Angesicht” was als het Grondelooze Licht.” (BD IX:572)

 

Het hoogtepunt echter in de uitvoeringsgeschiedenis van Gehoben ist der Stein is het concert geweest dat Diepenbrock zelf dirigeerde op 14 november 1918 in het Amsterdamse Concertgebouw. Bij de repetitie reeds kenschetste hij de interpretatie van Noordewier als nil mortale sonans – hier klinkt niets sterfelijks. De Auferstehungshymne vormde het slot van het programma. De pers was unaniem lyrisch. Matthijs Vermeulen berichtte:

Hoorden wij Noordewier ooit stralender, ooit jonger, ooit bezielder, ooit mystieker aangegrepen door den bovenaardschen geest van verzen en melodieën? Heeft ons eene hemelsche vervoering ooit sneller en onverwachter aangegrepen dan onder haar gewijde en geïnspireerde geestdrift, van af “Zur Hochzeit ruft der Tod”, de geleidelijk heftiger en inniger opvlammende extase dezer welvende eeuwigheid en van deze werkelijke, letterlijke transfiguratie? Ik herinner het mij niet. Ik herinner me nergens zulke diepe aandoeningen, zulke gelukkige vergezichten als deze ongekende blik in het eeuwige leven, deze revelatie van hymnische vreugde. Ik weet alleen, dat wij werden meegesleept door een alom zingend orchest, door eene kunstenares, die ons hare ziel oplegde, door den dirigeerenden componist, die zich vrij liet gaan op het profetische enthousiasme zijner vertolkster. En ik weet alleen, dat wij Noordewier nooit zoo grandioos hoorden van klank, nooit zoo overstelpend van psyche. De ovaties aan Diepenbrock waren dus zeer lang, zeer warm en zelden zullen zij spontaner gebracht zijn. (BD X:414-415)

Jaap van Benthem & Ton Braas



Gehoben ist der Stein,
Die Menschheit ist erstanden.
Wir alle bleiben dein
Und fühlen keine Banden.
Der herbste Kummer fleucht
Vor deiner goldnen Schale,
Wenn Erd und Leben weicht,
Im letzten Abendmahle.

Zur Hochzeit ruft der Tod,
Die Lampen brennen helle.
Die Jungfraun sind zur Stelle,
Um Öl ist keine Noth.
Erklänge doch die Ferne
Von deinem Zuge schon,
Und ruften uns die Sterne
Mit Menschenzung’ und Ton!

Nach dir, Maria, heben
Schon tausend Herzen sich;
In diesem Schattenleben
Verlangten sie nur dich.
Sie hoffen zu genesen
Mit ahndungsvoller Lust,
Drückst du sie, heil’ges Wesen,
An deine treue Brust.

So manche, die sich glühend
In bittrer Qual verzehrt,
Und dieser Welt entfliehend
Nach dir sich hingekehrt;
Die hülfreich uns erschienen
In mancher Noth und Pein;
Wir kommen nun zu ihnen,
Um ewig da zu sein.

Nun weint an keinem Grabe
Für Schmerz, wer liebend glaubt;
Der Liebe süβe Habe
Wird keinem nicht geraubt.
Die Sehnsucht ihm zu lindern,
Begeistert ihn die Nacht;
Von treuen Himmelskindern
Wird nun sein Herz bewacht.

Getrost, das Leben schreitet
Zum ew’gen Leben hin;
Von inn’rer Glut geweitet,
Verklärt sich unser Sinn!
Die Sternwelt wird zerfließen
Zum goldnen Lebenswein,
Wir werden sie genießen,
Und lichte Sterne sein.

Die Lieb’ ist freigegeben,
Und keine Trennung mehr.
Es wogt das volle Leben
Wie ein unendlich Meer.
Nur eine Nacht der Wonne,
Ein ewiges Gedicht
Und unser aller Sonne
Ist Gottes Angesicht.

 

 


  • A-36 AuferstehungsHymne aus Novalis’ “Hymnen an die Nacht”

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65

    A-36 entitled AuferstehungsHymne aus Novalis’ “Hymnen an die Nacht” and dated on the last page gecompon. 20 Jan – 4 Maart 1899 geinstrumenteerd 2 Maart – 4 Mei 1899 – Herzien Octob 1900

    • 1899-01-20 00:00:00.0 – 1899-03-04 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 65
  • A-38

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43

    A-38 with dedication on the title page Aaltje Noordewier-Reddingius in Verehrung gewidmet and dated on the last page gecomponeerd Jan-Maart 1899. opnieuw geinstrumenteerd 10 Febr 1915

    • 1915-02-10 00:00:00.0
    • dedication: Aaltje Noordewier-Reddingius in Verehrung gewidmet
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: 43
  • A- 42(1) “Hymnen an die Nacht voor Sopraan en groot orkest

    Semi-autograph vocal score A-42(1) with dedication on the title page Frau Dr Noordewier Reddingius gewidmet / Hymnus (Auferstehungshymne) uit Novalis’ “Hymnen an die Nacht voor Sopraan en groot orkest / gecomponeerd voor Mevr. A. Noordewier Reddingius door A Diepenbrock (Jan-Maart 1899) and with additional comment nil mortale sonans / herinnering aan de repetitie van 13 Nov 1918 / AD

    • 1899-01-20 00:00:00.0 – 1899-03-04 00:00:00.0
    • dedication: Frau Dr Noordewier Reddingius gewidmet / Hymnus (Auferstehungshymne) uit Novalis’ “Hymnen an die Nacht voor Sopraan en groot orkest / gecomponeerd voor Mevr. A. Noordewier Reddingius door A Diepenbock (Jan-Maart 1899) Nil mortale sonans / herinnering aan de repetitie van 13 Nov 1918 / AD
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-34(5) Hymne an die Nacht ‘Gehoben ist der Stein’

    copy vocal score A-34(5)

    (revised version) sketches in Map 6 dating from 11 December 1914 until 15 February 1915

    • 1914-12-11 00:00:00.0 – 1915-02-15 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-37

    semi-autograph A-37 dated on the first page comp. Jan-Mei 1899 and with dedication on the flyleaf Gecomponeerd voor Aaltje Noordewier-Reddingius en in eerbied en dankbaarheid haar toegewijd Alfons Diepenbrock Mei 1901

    • 1899-01-01 00:00:00.0 – 1899-05-31 00:00:00.0
    • dedication: Gecomponeerd voor Aaltje Noordewier-Reddingius en in eerbied en dankbaarheid haar toegewijd Alfons Diepenbrock Mei 1901
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • A-41(9) Hymne an die Nacht ‘Gehoben ist der Stein’

    vocal score A-41(9) dated on the last page 20 Jan [-] 4 Maart 1899

    • 1899-01-20 00:00:00.0 – 1899-03-04 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown
  • B-11(3) Nieuw klavieruittreksel

    Vocal score B-11(3) dated on the last page gecomp. Jan. 1899. nieuw klavieruittreksel 3 Sept 1915

    • 1915-09-03 00:00:00.0
    • location: Diepenbrock Archief Laren
    • pages: unknown

Hymne an die Nacht "Gehoben ist der Stein" uitgevoerd door sopraan Arleen Augér en het Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly



  • click to enlarge

    Anniversary Edition 2

    cd Et'cetera KTC 1435 CD2
    Concertgebouworkest ♦ Augér, Arleen ♦ Chailly, Riccardo ♦ Holl, Robert ♦ Baker, Janet ♦ Finnie, Linda ♦ Residentie Orkest ♦ Haitink, Bernard

    Tracks: 1 = RC 106; 2 = RC 49; 3 = RC 50; 4 = RC 67

  • Hymne an die Nacht ‘Gehoben ist der Stein’ (full score)

    1923 Noske, A.A.
  • Hymne an die Nacht ‘Gehoben ist der Stein’ (vocal score)

    1923 Noske, A.A.

6 dec 1900: Eerste uitvoering in het Concertgebouw te Amsterdam van de beide Hymnen an die Nacht, gezongen door Pauline de Haan-Manifarges en Aaltje Noordewier-Reddingius en gedirigeerd door Diepenbrock (ter vervanging van Willem Mengelberg, die door ziekte plotseling verhinderd is). Het programma bevat voorts de symfonie in Es (KV 543) van Mozart en de Scène d'amour uit Roméo et Juliette van Berlioz, een en ander gedirigeerd door Bram Eldering.

De kunst van Diepenbrock heeft zich in al haar hoogheid en diepzinnigheid geopenbaard op het abonnementsconcert van 6 December. Twee gedichten van Novalis, één in ongebonden en het ander in gebonden stijl, hebben Diepenbrock geïnspireerd tot het schrijven van toondichten, waarbij de zangstem de intentiën van den componist verklaart en weergeeft. Het is volkomen begrijpelijk dat Diepenbrock zich aangetrokken gevoelt tot den dichter Novalis. In beider gedachtengang vindt men een gemeenschappelijken, een analogen trek. Waar nu de woorddichter zulk een machtigen invloed heeft uitgeoefend op den scheppingsdrang van den toon-dichter, ware het wel wenschelijk geweest, dat het programmaboek den toehoorder eenigszins nader had gebracht tot den persoon van Novalis. [...] Zooals het bij een modern denkend kunstenaar niet anders mogelijk is heeft Diepenbrock het zwaartepunt zijner compositiën gelegd in het orchest. — Het orchest is de drager van 's componisten ideeën en met groot meesterschap heeft Diepenbrock zijn stof behandeld. De gansche opbouw, de indeeling en de behandeling der motieven, vloeien logisch uit 's dichters en 's componisten gedachtengang voort. Betooverend is vaak de klank van het orchest en bij beide werken kwam men onder een machtigen en verheven indruk. — Men begreep dat men bij Diepenbrock te doen had met een man, die wars van alledaagschheid, het verhevenste en het verheffendste in zijn kunst neerlegt. Misschien zal Diepenbrock later zelf nog erkennen dat hij vooral in de “Hymne an die Nacht” der zangstem een taak toebedeeld heeft, die zij tegenover de machtige golven van het orchest ter nauwernood kan vervullen. Misschien zal Diepenbrock later nog inzien dat de technische uitvoering zijner gedachten niet geheel gelijken tred houdt met het grootsche zijner conceptie. Zooveel is echter zeker, dat hij thans reeds bewondering en eerbied afdwingt voor zijn machtig talent.

De Amsterdammer (Ant. Averkamp), 16 december 1900

pdf All reviews for RC 49 Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein”