english | nederlands

Works

unfinished works

RC 17* Mignons Verklärung (“So laßt mich scheinen, bis ich werde”)

bezetting: zangstem en piano ♦ In de zomer van 1886, twee jaar nadat Diepenbrock Goethes bekende gedicht Mignon had gecomponeerd (RC 12), nam hij een ander gedicht uit Wilhelm Meisters Lehrjahre ter hand: het veel minder vaak op mu…

RC 26* Het daghet uyt den Oosten

Nergens in zijn correspondentie brengt Diepenbrock zijn schets van Het daghet uyt den Oosten ter sprake. Daar het manuscript bovendien ongedateerd is, is het gissen wanneer en om welke reden hij aan d…

RC 62* Des Menschen Seele gleicht dem Wasser

bezetting: vocaal mannenkwartet ♦ In schetsboekje C-3 staat een zetting voor vocaal mannenkwartet genoteerd van het begin van Goethes Gesang der Geister über den Wassern. Het fragment behelst de eerste drie tekstregels:

RC 65* Iris (“Ik ben geboren uit zonnegloren”)

bezetting: zangstem en orkest ♦ In het voorjaar van 1903 orkestreerde Diepenbrock de twee tenorliederen op tekst van Jacques Perk (1859-1881), die hij in april 1885 en maart 1900 had gecomponeerd: Avondzang (RC 13/59) en Zij sluimer…

RC 76* Kann ich im Busen heisse Wünsche tragen

In 1907, het jaar waarin Diepenbrock diverse van zijn eerder gecomponeerde liederen voor alt en piano instrumenteerde, heeft hij, vermoedelijk in januari, ook Kann ich im Busen heisse Wünsche tragen (…

RC 88* Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

bezetting: vocaal kwartet ♦ Nadat Diepenbrock in augustus 1908 binnen een week drie vocale kwartetten op teksten van Goethe (RC 85, 86, 87) had gecomponeerd voor het solistenensemble van Gerard Zalsman, nam hij voor dezelfde bez…

RC 89* Der Abend (“Wie so leis’ die Blätter wehn”)

bezetting: sopraan, alt en orgel ♦ Nadat Diepenbrock op 22 augustus 1908 twee pogingen had ondernomen om Brentano’s gedicht Der Abend op muziek te zetten voor vocaal kwartet (zie RC 88), veranderde hij zijn aanpak drastisch. Hij koos v…

RC 94* Früh, wann die Hähne krähn

bezetting: zangstem en piano ♦ Schetsboek C-9 bevat op p. 56 Diepenbrocks toonzetting van de eerste strofe van Früh, wann die Hähne krähn, een gedicht dat deel uitmaakt van de in 1832 verschenen roman Maler Nolten van Eduard Mörike…

RC 96* Liedren als klinkende luiten

bezetting: zangstem en piano ♦ Ofschoon Diepenbrock als jongeman grote bewondering had voor de poëzie van Willem Kloos en ook in later jaren vaak getroffen werd door de schoonheid van zijn verzen, heeft hij nooit een lied gemaakt o…

RC 98* Sérénade (“Comme la voix d’un mort”)

bezetting: zangstem en piano ♦ Daags nadat Diepenbrock op 19 juli 1909 zijn Verlaine-lied Puisque l’aube grandit (RC 97) had voltooid, begon hij op p. 44 van schetsboek C-10 aan een zetting van Sérénade van deze dichter. Dit in mac…


next